Dit is één van mijn lievelingsliedjes. Het is een liefdeslied van God aan jou en mij.
I know what you’ve been hearing, I’ve seen you hide your fear
Embarrassed by your weaknesses, afraid to let me near
I wish you knew how much I long for you to understand
No matter what may happen child, I’ll never let go of your hand
I know you’ve been forsaken by all you’ve known before
When you failed their expectations, they frowned and closed the door
But even if your heart itself shall lose the will to stand
No matter what may happen child, I’ll never let go of your hand
The life that I have given you, no one can take away
’cause I’ve sealed it with my spirit, blood and Word
The everlasting Father has made His covenant with you
And He’s stronger than the world you’ve seen and heard
So don’t you fear to show them all the love I have for you
And I’ll be with you everywhere in everything you do
And even if you do it wrong, and miss the joy I’ve planned,
I’ll never let go of your hand.
De afgelopen dagen heb ik me bezig gehouden met de vraag waarom we ons zo vaak bezighouden met dingen die weinig te maken lijken te hebben met waar we echt van dromen. Voor mij betekent dat nu met name dat ik onevenredig veel energie en tijd steek in mijn studie. Toen ik het met mijn broertje hierover had zei hij:
‘Ja het is een kortstondige vreemde prioritering.’
Nou dat is het zeker! Blijkbaar brengen sommige keuzes met zich mee, dat je je een tijd moet toewijden aan zaken die niet het allerbelangrijkste lijken. Hopelijk is het ook echt een kortstondige zaak en komen er weer tijden waarin we nieuwe keuzes kunnen maken. Nieuwe vrijheid, nieuwe kansen voor een nieuwe prioritering.
Op een dag kwam de eekhoorn erachter dat het onverstandig was om niet verder te kunnen tellen dan tot vijf. Hij ging naar de school aan de voet van de eik in het midden van het bos en vroeg aan de mus, die daar onderwijzer was, of hij hem tot tien wilde leren tellen.
‘Ik zal mijn best doen,’ zei de mus. ‘Maar wat je vraagt is niet eenvoudig. Ik kan zelf tot zeventien tellen, maar vraag niet hoe lang ik daarvoor heb gestudeerd, want dat weet ik al niet meer.’
‘Ik heb er alles voor over,’ zei de eekhoorn.
‘De meeste dieren komen nooit verder dan twee.’
‘Laten we maar beginnen,’ zei de eerkhoorn.
‘Goed’, zei de mus.
En zo gebeurde het dat de eekhoorn dag in dag uit, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, in de klas van de mus zat. Naast hem zat de lepelaar, die tot twee kon tellen, en voor hem de bij, die al bij vier was, en de goudvis in een kom die tot zeven kwam.
Na een week kon de eekhoorn tot zes tellen. Vol trots vertelde hij dat aan de mier. Maar de mier was niet onder de indruk.
Na een maand kon hij tot zeven tellen. Maar de mier was nu nog minder onder de indruk.
‘Wat ís zeven?’ vroeg hij. De eekhoorn wist het niet.
‘Als je niet eens weet wat zeven is, wat heb je er dan aan om daarheen te tellen? Als ik niet weet wat een suikerpluim is dan ga ik er toch ook niet op af, en zeker niet een maand lang?’
De eekhoorn moest lang nadenken over de suikerpluim. Hij meende dat de mier geen gelijk had, maar aan de andere kant was hij ook zo moe geworden van het leren dat hij de volgende dag aan de mus zei dat hij niet meer naar school kwam.
‘Jammer,’ zei de mus, ‘want acht is een prachtig getal. Vooral als je er langzaam naartoe telt.’
‘Maar wat ís acht dan?’ vroeg de eekhoorn.
‘Tja,’ zei de mus en trok een geheimzinnig en geleerd gezicht, alsof hij zeggen wilde: daar kom je pas achter als je acht helemaal kent. Maar hij zei niets meer.
De eekhoorn ging naar huis. Hij dacht die dag grondig na, maar kwam geen stap verder, laat staan dat hij begreep waarover hij nadacht. De volgende dagen vergat hij zeven en zes weer, zodat hij al spoedig weer even ver was als de mier, die al jaren tot vijf kon tellen.
Voor 3 maanden heb ik mijn witte jas uitgetrokken. Even geen doktertje spelen, even rustig aan doen. Trouwens…Echt dokter voel ik me ook nog niet, ik voel met niet capabel om al die grote beslissingen met patienten te nemen, heb nog veel te weinig kennis etc etc. (waar elke co tegenaan loopt) Maar gelukkig duurt het nog wel even voordat ik het punt bereik dat ik de eed moet zweren of de belofte af moet leggen. Voor mij een geruststellende gedachte.
Maar mijn omgeving lijkt er anders over te denken. Hoewel ik mijn vrienden nooit treft in mijn witte jas, lijken ze toch een hogere pet op te hebben van mijn dokterskwaliteiten dan ik zelf. Hoe vaak krijg ik niet de vraag: Wil je even kijken, ik heb een plekje op mijn huid? Of: ik heb oorpijn en opgezette klieren, wat kan dat zijn? Wat moet ik doen met wondjes in mijn mondhoeken? Hoe groot is de kans dat ik TBC heb opgelopen? Mijn zoon heeft met een vieze naald gespeeld, wat moeten we nu?
Ik weet bijna nooit het antwoord. Of je moet dit een antwoord noemen: ‘Als het over een paar dagen niet over is, ga dan maar even naar je huisarts.’
Is het wel wenselijk om de rol van hulpverlener mee naar huis te nemen? Staat het vriendschappen niet in de weg? Wordt het niet moeilijker om als mens te luisteren naar wat je geliefden bezighoudt? Als iemand zich zorgen maakt over een klacht, dan reageer ik daar in de eerste instantie medisch-inhoudelijk op. Maar dat is wel net ff iets anders dan luisteren. Laatst merkte ik het ook bij een vriendin die haar psychologie-stage loopt in de verslavingszorg. Ze is enthousiast over haar werk, vindt het geweldig om zelfstandig therapie te geven. Maar ik merkte dat ze mijn verhaal nu als psycholoog beluisterde. Terwijl ik wilde dat ze als vriendin zou horen wat me bezig hield.
Vorige week stuurde ik een kaartje naar een vriendin. Ik maak me zorgen om haar, omdat ze zo hard werkt en zichzelf voorbij loopt. Dat schreef ik op. Gisteren zei haar man tegen mij: “Het kwam op het goede moment, het gaf een opening om er over te praten. Bovendien had je bijna je witte jas aan.” Eerlijk gezegd vatte ik dat niet als een compliment op. Ik wil geen hulpverleners rol vervullen naar mijn vrienden, zeker niet als ze er niet om hebben gevraagd. Ik wil me gewoon als mens zorgen kunnen maken om mensen, niet als dokter. Dus ik trok een zorgelijk gezicht bij die opmerking. Maar hij legde me uit de ik het juist postief moest zien: het geeft me een bepaalde overtuigingskracht die ze nodig had. Ik bid dat God haar de moed geeft om rustiger aan te doen, misschien heeft die witte jas daar toch een gunstige invloed op…
U hebt hem bijna goddelijk gemaakt, met heerlijkheid en luister hebt u hem gekroond. Psalm no8
Bijna goddelijk… noemt deze poeet de mens. En dat na de uitroep: wat stelt de mens toch voor, God, dat u er maar één enkele gedachte aan besteedt, ja dat u naar hem om ziet?? Bijna goddelijk… ik moet zeggen dat wij er een kei in zijn geworden dat bijna een beetje te rekken tot ‘in de richting van’ goddelijk, of ‘ongeveer goddelijk’ tot zelfs ‘verre van goddelijk’.
Hoe goddelijk reageer ik eigenlijk op de dingen die gebeuren, op de mensen om me heen? Hoe goddelijk spreek ik met anderen. En hoe goddelijk zijn mijn gedachten?
Goddelijk? wat moet ik me daar toch weer bij voorstellen.
Gods liefde is oneindig. [Kan ik wel werkelijk lief hebben?]
Gods spreken is heilig, zijn woorden keren nooit leeg terug. [Hoe loos zijn mijn woorden, soms zelfs kwetsend en vol van halve waarheden.]
Gods gedachten zijn ontelbaar als het zand van de zee. [Hoevaak draaien mijn gedachten die in het zelfde eindeloze cirkeltje?]
Ik zal maar van God aannemen dat hij ons bijna goddelijk gemaakt heeft. Hij kan het weten. Maar ik kan je verzekeren dat het Hem een grote prijs kostte om dat gerekte ‘bijna’ te overbruggen. Lieve God, ik dank u dat Christus in mijn leeft, God zelf!
Ik krijg veel vragen over de naam van mijn weblog.
In psalm 89 ver 10 staat:
Thou rulest the pride of the sea,
when the waves therof arise
thou stillest them!
Daarom dus!