U hebt hem bijna goddelijk gemaakt, met heerlijkheid en luister hebt u hem gekroond. Psalm no8

Bijna goddelijk… noemt deze poeet de mens. En dat na de uitroep: wat stelt de mens toch voor, God, dat u er maar één enkele gedachte aan besteedt, ja dat u naar hem om ziet?? Bijna goddelijk… ik moet zeggen dat wij er een kei in zijn geworden dat bijna een beetje te rekken tot ‘in de richting van’ goddelijk, of ‘ongeveer goddelijk’ tot zelfs ‘verre van goddelijk’.

Hoe goddelijk reageer ik eigenlijk op de dingen die gebeuren, op de mensen om me heen? Hoe goddelijk spreek ik met anderen. En hoe goddelijk zijn mijn gedachten?

Goddelijk? wat moet ik me daar toch weer bij voorstellen.
Gods liefde is oneindig. [Kan ik wel werkelijk lief hebben?]
Gods spreken is heilig, zijn woorden keren nooit leeg terug. [Hoe loos zijn mijn woorden, soms zelfs kwetsend en vol van halve waarheden.]
Gods gedachten zijn ontelbaar als het zand van de zee. [Hoevaak draaien mijn gedachten die in het zelfde eindeloze cirkeltje?]

Ik zal maar van God aannemen dat hij ons bijna goddelijk gemaakt heeft. Hij kan het weten. Maar ik kan je verzekeren dat het Hem een grote prijs kostte om dat gerekte ‘bijna’ te overbruggen. Lieve God, ik dank u dat Christus in mijn leeft, God zelf!