Bijna de hele wereld sliep al, maar Razvan was nog wakker. Hij genoot van de stilte van de nacht en de geur van een kop thee. Hij had vandaag hard gewerkt, hij kon tevreden zijn. De afgelopen jaren hadden hem tot een tevreden mens gemaakt. Hij had geleerd te leven volgens het manna-principe: als je voor vandaag genoeg hebt, is dat ruim voldoende, morgen is morgen. Zo genoot hij altijd van de goede dingen die hij kreeg: een boterham met kaas, een glas melk, een warm bed. Telkens was het weer precies genoeg. Zijn hart was dankbaar.
Plotseling werd hij opgeschrikt door een korte stevige klop op de deur. Razvan verwachtte niemand meer, wie zou dat kunnen zijn? Langzaam stond hij op, liep naar de deur. Zijn hart maakte een vreugdesprongetje, toen hij in de deuropening het gezicht van zijn goede vriend Sillevis zag. Als hij iemand verwacht had, niet Sillevis!
‘Sillevis, vriend! Wat brengt jou hier? Waar kom je zo laat nog vandaan? En hoe is het met je? Het is zo lang geleden!’ Vragen vochten om voorrang op zijn lippen. Wat was hij blij om zijn vriend Sillevis weer te zien. Ze begroetten elkaar in een stevige omarming. Toen ze zich met tegenzin uit hun omhelzing losmaakten zei Sillevis: ‘Ik zal je alles vertellen, echt alles, maar ik zou graag eerst eten. Daarna zal ik je vertellen wat er gebeurde 7 jaar geleden, tijdens die zomer. Ik zal je vertellen wat ik meegemaakt heb en hoe ik hier terechtkwam. En ik ben ook zo benieuwd naar hoe het met jou is. Maar heb je alsjeblieft een boterham voor me. Ik heb al dagen niet fatsoenlijk gegeten.’ Het was alsof er zojuist een steen in Razvans binnenste gelegd was. Hoe kon hij nu zijn vriend verzorgen? Zijn kasten waren leeg en in de broodtrommel zaten alleen nog maar kruimels. Hij dacht aan de vrede die hij zo weinig momenten eerder nog had ervaren. Heer, hoe moet ik dit oplossen?. ‘Laat weten wat je nodig hebt, Ik zal voorzien.’ Drie broodjes, Heer. De vrede kwam als een onderpand van datgene wat hij nog niet zag.
‘Sillevis, wat fijn dat ik je als gast mag ontvangen. Wat goed om je te zien. Ga lekker zitten en rust uit.’ Terwijl Sillevis wat rondkeek in het kleine knusse huisje en zich installeerde zette Razvan water op het fornuis. Vervolgens draaide hij de verwarming weer aan en liep met een ‘ik ben er zo weer’ het huis uit. Zijn vriend Steef die om de hoek woonde was zo te zien al naar bed. ‘Wees vrijmoedig! Ik zal je zegenen.’ Zonder te letten op het gebonk van zijn hart, liep hij over het smalle paadje naar het huis van Steef. De bel klonk hard in de stilte van de nacht. Geen gehoor. Nog een keertje bellen dan maar.
Ergens ver weg in het huisje hoorde Razvan wat gerommel. Steef kwam richting de deur lopen, opende die een klein kiertje en keek hem met een boos en slaperig gezicht aan. ‘Heb je misschien 3 broodjes voor me?’ ‘Moet je me daarvoor storen, midden in de nacht?’ zei hij bars. ‘Morgen moet ik vroeg op en mijn kinderen slapen ook allang. Vind je het nu echt nodig om mij hiervoor te storen?!’ ‘Het spijt me Steef, als ik het vanmiddag hag geweten, had ik iets…’ Maar Steef duwde de deur al dicht. Even was Razvan beduusd. Maar hij vermande zich en klopte op de deur, om minder lawaai te maken dan zo even met de bel. Eerst geen reactie, maar toen toch weer een kiertje met het hoofd van Steef net zichtbaar er doorheen. ‘Ben ik niet duidelijk geweest?’ ‘Wees vrijmoedig!’ ‘Steef, het spijt me dat ik je gewekt heb, maar ik zou graag mijn vriend die net onverwachts langs is gekomen iets te eten aanbieden. Hij heeft al dagen niet fatsoenlijk gegeten. Ik heb niets meer en ik weet dat jij genoeg brood hebt om mij te geven, zodat ik uit kan delen.’ Langzaam was de deur wat verder open gegaan. Al was het niet van harte, Razvan had in elk geval de aandacht van zijn vriend. ‘Ok, wacht even.’ Steef liep weg bij de deur en was even later terug met drie kleine broodjes. ‘Hier en zorg voortaan voor jezelf. Het is omdat je me zo indringend aankijkt en je niet laat verjagen…’ En dicht was de deur.
Blij liep Razvan naar huis. Wat een voorrecht; zonder het te weten mogen sommigen van ons engelen huisvesten. En reken maar dat er dan wel gezorgd wordt voor een goed onderkomen.