Nooit meer dorst hebben? Waar had deze man het over? Hij zag eruit alsof hij voornaam was, maar of hij ook enige wijsheid bezat, betwijfelde ik. Niet voor lang trouwens. Wacht, ik zal aan het begin beginnen, dan kun je het misschien volgen.
Het was weer één van die vele hete zomerdagen in een lange rij. Er leek geen einde aan te komen. ’s Morgens en ’s avonds was het wel uit te houden, maar rond de middag kijken de meeste mensen op zulke dagen wel uit om een vin te verroeren. Stil in de schaduw liggen en de tijd z’n werk laten doen, is dan de beste optie. Het enige voordeel van dat moment was dat er dan niemand bij de put was. Liever door de ondragelijke hitte ploeteren, dan elke dag leven met de veroordeling van tientallen afkeurende blikken. Ik kon het niet meer verdragen en had er een gewoonte van gemaakt water te halen op het moment dat de kans bijna nihil is om iemand te treffen.
Ik schrok daarom enigszins van de man bij de put. Hij droeg een mantel uit één stuk en had vriendelijke ogen. Hij keek me
aan en zei: ‘geef me wat te drinken.’ Het verbaasde me; er klonk respect in zijn stem. Er was alle reden voor minachting van zijn kant. Ik ben een vrouw, hij een man. Ik ben een Samaritaanse, hij is een Jood. En wat te denken van mijn verleden, hij moet toch wel begrepen hebben dat ik niet voor niets op dat tijdstip bij de put was. ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse,’ zie ik. Zijn antwoord was vreemd en onverwachts: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven’. Ik begreep niet wat hij zei. Zo even vroeg hij nog aan míj om water en nu beweerde hij dat ik hém om water moest vragen, vanwege zijn afkomst of iets dergelijks. En wat bedoelde hij met wat God me wilde geven? Wat wist hij daarvan, bij God had ik immers alles verspild?! Ik gooide het maar over de praktische boeg: ‘Meneer, u hebt geen emmer en de put is diep - waar wilt u dan levend water vandaan halen. U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee. Maar zonder emmer komt u niet ver!’ Hij keek me aan en zei: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen. Maar wie het water drinkt dat ik hem geef zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ Nooit meer dorst hebben? Hoe zag deze man dat voor zich? Haha, handig is het wel, nooit meer op dit nare tijdstip dit eind lopen en weer terug. Het zou een uitkomst zijn. ‘Geef mij dat water, meneer,’ antwoordde ik hem met meer sarcasme in mijn stem dan ik had gewild, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hier heen te komen om water te putten!’
Hoewel ik op dat moment niets begreep van deze man en van wat hij zei, was er iets in zijn woorden dat me aantrok. Hij commadeerde me niet, verachtte me niet, negeerde me niet. Hij was een gesprek met me aangegaan, had me een vraag gesteld, hij keek me zelfs aan. Hij deed alles wat ik niet had verwacht. Zijn reactie op mijn sarcasme was al even bijzonder: ‘Ga je man eens roepen en kom dan weer terug.’ Voor ik het wist antwoordde ik hem met de waarheid: ‘ik heb geen man.’ Zijn reactie zal ik nooit meer vergeten. Hij kende mijn verleden, hij wist wie ik was. Maar hij oordeelde niet toen hij zei: ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt, u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ Het was alsof de schellen van mijn ogen vielen. ‘Nu begrijp ik, meneer, dat u een profeet bent!’
Ik was even stil, maar begreep dat ik nu eindelijk de kans had om de vraag te stellen die me al jaren bezig hield. ‘Onze voorouders vereerden God op deze berg en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden. Wat is nu de waarheid? Ik verlang ernaar God te aanbidden, maar waar?’ ‘Geloof me,’ zei hij, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten het wel; de redding komt immers van de Joden. Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie hem aanbidt moet dat doen in Geest en in waarheid.’ Ik begreep niet alles wat hij zei. Wel begreep ik dat God aanbidden niet vast zit aan een geografische plaats, maar dat het gaat om echtheid. Ik kende de bijbel en ik wist dat de Messias zou komen, hij zou ons alles duidelijk maken. Ik verlangde ernaar dat die redder zou komen ‘Ik weet wel dat de messias komen zal, wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen,’ zei ik. ‘Dat ben ik, die met u spreekt!’ antwoordde de man. De Vader waarover hij sprak, was dus echt zijn vader. Hij was de Zoon van de allerhoogste God, de beloofde messias.
Op dat moment stond er opeens een groep van 12 mannen bij de put. In twaalf paar ogen las ik verbazing, en ik kon het hun niet kwalijk nemen. Hun leermeester stond daar te praten met een Samaritaanse, verachte vrouw. Niemand zei echter een woord. Ze stonden daar maar met hun boodschappen onder hun arm. Opeens wist ik wat ik moest doen, ik zette mijn kruik neer, zodat ik sneller kon lopen. Ik keek de man nog even aan en liep toen in alle haast naar huis. Inmiddels was de stad weer een beetje gaan leven. Wat ik al jaren niet had gedurfd, deed ik nu. Ik voelde me herboren, mijn eerst zo droge, dorstige hart was vol van blijdschap en liefde. Ik ging naar het marktplein en sprak daar iedereen die het horen wilde aan. ‘Er is iemand bij de put, die alles van me weet. Zou dat niet de messias zijn!?. Hij heeft met niet veroordeeld. Kom met me mee!’ En tot mijn grote verbazing verzamelde zich een groep mensen om mij heen, ze wilde niets liever dan ook deze man ontmoeten. Ze moeten aan mij gezien hebben hoe deze ontmoeting mij had veranderd. Later hoorde ik dat ze zagen dat mijn ogen straalde. Het was voor hun genoeg reden om zelf te gaan kijken. Iemand die mij, verachte en mislukte vrouw, kan oprichten moet wel op z’n minst een profeet zijn.
We ging samen die weg weer terug naar de put. Nog nooit had ik deze weg met vreugde afgelegd, maar nu liep ik alsof ik jaren jonger was. Samen met mijn stadgenoten nog wel, die ik al die tijd had gemeden. Bij de put was de man nog met zijn discipelen. Hij was bezig hun te onderwijzen. Toen we aankwamen vertelde hij ons over het koninkrijk van God, dat hij Jezus was, Gods zoon en dat wij ook Gods kinderen mochten worden. Om me heen zag ik allemaal stralende gezichten. Nu begreep ik wat hij had bedoeld met levend water, dat als een bron zal worden in je binnenste. We vroegen hem nog bij ons in Sichar te blijven, en hij ging op die uitnodiging in. In de twee dagen dat hij er was, is de stad zo veranderd. Hij leerde ons over Gods koninkrijk, over bronnen van levend water en over zijn Geest. Gebroken mensen gingen weer stralen, zieken genas hij, bittere zielen vonden liefde en heling. In de dagen daarna sprak ik met veel mensen. Wat waren we blij. ‘Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt,’ zeiden ze, ‘maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is!’
Enkele jaren later mochten we weer zo’n geweldige tijd meemaken. Er waren toen veel mensen in de omgeving die Jezus zelf niet hadden meegemaakt, maar wel van ons over hem hadden gehoord. Filippus, een dienstknecht van Jezus kwam bij ons langs en vertelde over Jezus’ terugkeer naar de Vader, over zijn werk op aarde. Er was opnieuw een enorme dorst naar dit goede nieuws. En net als toen Jezus bij ons was, bleef het niet alleen bij woorden. Hij verrichtte wonderen in de naam van Jezus Christus, die nu in de hemel aan Gods rechterhand zit. Mensen werden bevrijd van boze geestem, vele verlamden en mensen die mank liepen werden genezen. De vreugde gonsde door de straten. Toen Johannes en Petrus ook nog naar ons toe kwamen en ons de handen op legden, ontvingen we de Heilige Geest.
Inmiddels ben ik oud geworden. Ik kan niet veel meer, maar wat ik wel kan is mijn kinderen en kleinkinderen vertellen over die man, die mij, verachte, samaritaanse vrouw, bij de put aansprak. Hij, die de liefde van God aan me aanbood. Hij is het waard aanbeden te worden!
Naar Johannes 4 en Handelingen 8