februari 2008


Sometimes I realize there is a lot to fear in my life
at least I think I have to fear
fear of the unknown
fear to be rejected
fear to fall and
forget to stand up
there is a song that says
saints are just the sinners who fall down and get up
I really like that sentence

When I look back I see
I opened the door for fear
I myself flirted with darkness
in the past I listened to a lot to dark music
interested myself for strange theories
to find answers on questions
but it never brought me anything
but more fear

fear of failure
fear of being left
fear to stay alone
fear to get to close
fear of being bound
to someone or something
fear to stay to long in this place

Everyday with Jesus is a day in the light
but to get away from darkness
takes me quite a lot of time
well really I can’t do it
I need Jesus for it

and what I need to fear more
more than people or anything
is the Lord
the only true Light

Geschreven door MG

Ik krijg weer de unieke kans om over de schouder van een wel heel bijzondere medicus mee te kijken. Hij heeft een huisartsenpraktijk in de hemel. Meneer Zegwaard komt bij zijn hemelse huisarts om zijn cholesterol en bloeddruk te laten controleren. Het gesprek verloopt als volgt:

HH: hemelse huisarts
Z: meneer Zegwaard

HH: Vertel eens, wat kan ik voor u betekenen?
Z: Ik vraag me af of mijn cholesterol niet eens gecontroleerd moet worden. Vroeger hoorde je daar zo vaak over, dokter.
HH: Maakt u zich ergens zorgen over meneer Zegwaard?
Z: Nee, dokter natuurlijk niet, maar gewoon voor de zekerheid. Het kan toch geen kwaad om het te controleren?
HH: Ik kan u verzekeren dat uw cholesterolwaarde prachtig is en u een bloeddruk heeft van een jonge vent.
Z: Hoe kunt u dat nu zomaar zeggen, dokter? U maakt een grapje… Meet nu mijn bloeddruk maar, en als u me dan zo’n groen formulier geeft voor de prikpost…
(korte stilte)
HH: Ik denk dat we elkaar verkeerd begrijpen. Hier gelden namelijk hemelse regels. In die regels staat onder andere vast gelegd dat iedereen een prachtige cholesterolwaarde heeft en een bloeddruk van een jonge vent.
Z: Maar hoezo? Ik begrijp het niet…?
HH: Mijn Supervisor, de Heelmeester, heeft me dit verteld. Hij heeft deze regels hier ingesteld. We hebben met de vergadering van hemelse huisartsen afgesproken dat we geen bloeddrukken meer meten en niets meer prikken. Het is allemaal onnodige moeite.
Z: (vertwijfeld) Maar dokter, waarom zit u hier dan nog?
HH: Om uw vragen te beantwoorden. (korte stilte) Heeft u nog vragen, meneer Zegwaard?

Einde

Het volgende tafereel zou kunnen plaatsvinden in de spreekkamer van een pasbekeerde, charismatische gynaecoloog. Hij heeft als een droge spons de woorden van de voorgangers opgezogen en doet nu zijn uiterste best om ze in praktijk te brengen.

G = gynaecoloog
P = patiënte
PP = partner van patiënte

G: U komt voor de 2e inseminatie. Spannend?
P: Ja, best wel. Maar we weten nu gelukkig wat er gaat gebeuren.
PP: Hier heb ik het. (overhandigt een buisje aan de gynaecoloog)
G: Hoe wij ook ons best doen, God bepaalt wat er gebeurt. Laten we daarom een zegen vragen over dit moment. (neemt een diepe hap lucht) Oh Heer, u kent ons zoals we hier zitten. U kent onze verwachtingen. We brengen het allemaal voor uw troon der genade, wetende dat u alles in uw handen heeft, Halleluja. (houd zijn handen beschermend boven het buisje) Zegen dit zaad, zoals u ook dat van Abraham hebt gezegend. Oh Heer, u hebt hem tot een groot volk gemaakt, talrijk als de sterren aan de hemel en het zand der zee. En elke barriere breken we af en bestraffen wij, opdat uw wil ruimbaan kan hebben. Amèn! Gaat u vast naar de onderzoekskamer, ik kom er zo aan.
P & PP: (beduusd, af)

Einde

Nooit meer dorst hebben? Waar had deze man het over? Hij zag eruit alsof hij voornaam was, maar of hij ook enige wijsheid bezat, betwijfelde ik. Niet voor lang trouwens. Wacht, ik zal aan het begin beginnen, dan kun je het misschien volgen.

Het was weer één van die vele hete zomerdagen in een lange rij. Er leek geen einde aan te komen. ’s Morgens en ’s avonds was het wel uit te houden, maar rond de middag kijken de meeste mensen op zulke dagen wel uit om een vin te verroeren. Stil in de schaduw liggen en de tijd z’n werk laten doen, is dan de beste optie. Het enige voordeel van dat moment was dat er dan niemand bij de put was. Liever door de ondragelijke hitte ploeteren, dan elke dag leven met de veroordeling van tientallen afkeurende blikken. Ik kon het niet meer verdragen en had er een gewoonte van gemaakt water te halen op het moment dat de kans bijna nihil is om iemand te treffen.

Ik schrok daarom enigszins van de man bij de put. Hij droeg een mantel uit één stuk en had vriendelijke ogen. Hij keek meSamaritaanse aan en zei: ‘geef me wat te drinken.’ Het verbaasde me; er klonk respect in zijn stem. Er was alle reden voor minachting van zijn kant. Ik ben een vrouw, hij een man. Ik ben een Samaritaanse, hij is een Jood. En wat te denken van mijn verleden, hij moet toch wel begrepen hebben dat ik niet voor niets op dat tijdstip bij de put was. ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse,’ zie ik. Zijn antwoord was vreemd en onverwachts: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven’. Ik begreep niet wat hij zei. Zo even vroeg hij nog aan míj om water en nu beweerde hij dat ik hém om water moest vragen, vanwege zijn afkomst of iets dergelijks. En wat bedoelde hij met wat God me wilde geven? Wat wist hij daarvan, bij God had ik immers alles verspild?! Ik gooide het maar over de praktische boeg: ‘Meneer, u hebt geen emmer en de put is diep - waar wilt u dan levend water vandaan halen. U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee. Maar zonder emmer komt u niet ver!’ Hij keek me aan en zei: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen. Maar wie het water drinkt dat ik hem geef zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ Nooit meer dorst hebben? Hoe zag deze man dat voor zich? Haha, handig is het wel, nooit meer op dit nare tijdstip dit eind lopen en weer terug. Het zou een uitkomst zijn. ‘Geef mij dat water, meneer,’ antwoordde ik hem met meer sarcasme in mijn stem dan ik had gewild, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hier heen te komen om water te putten!’

Hoewel ik op dat moment niets begreep van deze man en van wat hij zei, was er iets in zijn woorden dat me aantrok. Hij commadeerde me niet, verachtte me niet, negeerde me niet. Hij was een gesprek met me aangegaan, had me een vraag gesteld, hij keek me zelfs aan. Hij deed alles wat ik niet had verwacht. Zijn reactie op mijn sarcasme was al even bijzonder: ‘Ga je man eens roepen en kom dan weer terug.’ Voor ik het wist antwoordde ik hem met de waarheid: ‘ik heb geen man.’ Zijn reactie zal ik nooit meer vergeten. Hij kende mijn verleden, hij wist wie ik was. Maar hij oordeelde niet toen hij zei: ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt, u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ Het was alsof de schellen van mijn ogen vielen. ‘Nu begrijp ik, meneer, dat u een profeet bent!’

Ik was even stil, maar begreep dat ik nu eindelijk de kans had om de vraag te stellen die me al jaren bezig hield. ‘Onze voorouders vereerden God op deze berg en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden. Wat is nu de waarheid? Ik verlang ernaar God te aanbidden, maar waar?’ ‘Geloof me,’ zei hij, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten het wel; de redding komt immers van de Joden. Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie hem aanbidt moet dat doen in Geest en in waarheid.’ Ik begreep niet alles wat hij zei. Wel begreep ik dat God aanbidden niet vast zit aan een geografische plaats, maar dat het gaat om echtheid. Ik kende de bijbel en ik wist dat de Messias zou komen, hij zou ons alles duidelijk maken. Ik verlangde ernaar dat die redder zou komen ‘Ik weet wel dat de messias komen zal, wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen,’ zei ik. ‘Dat ben ik, die met u spreekt!’ antwoordde de man. De Vader waarover hij sprak, was dus echt zijn vader. Hij was de Zoon van de allerhoogste God, de beloofde messias.

Op dat moment stond er opeens een groep van 12 mannen bij de put. In twaalf paar ogen las ik verbazing, en ik kon het hun niet kwalijk nemen. Hun leermeester stond daar te praten met een Samaritaanse, verachte vrouw. Niemand zei echter een woord. Ze stonden daar maar met hun boodschappen onder hun arm. Opeens wist ik wat ik moest doen, ik zette mijn kruik neer, zodat ik sneller kon lopen. Ik keek de man nog even aan en liep toen in alle haast naar huis. Inmiddels was de stad weer een beetje gaan leven. Wat ik al jaren niet had gedurfd, deed ik nu. Ik voelde me herboren, mijn eerst zo droge, dorstige hart was vol van blijdschap en liefde. Ik ging naar het marktplein en sprak daar iedereen die het horen wilde aan. ‘Er is iemand bij de put, die alles van me weet. Zou dat niet de messias zijn!?. Hij heeft met niet veroordeeld. Kom met me mee!’ En tot mijn grote verbazing verzamelde zich een groep mensen om mij heen, ze wilde niets liever dan ook deze man ontmoeten. Ze moeten aan mij gezien hebben hoe deze ontmoeting mij had veranderd. Later hoorde ik dat ze zagen dat mijn ogen straalde. Het was voor hun genoeg reden om zelf te gaan kijken. Iemand die mij, verachte en mislukte vrouw, kan oprichten moet wel op z’n minst een profeet zijn.

We ging samen die weg weer terug naar de put. Nog nooit had ik deze weg met vreugde afgelegd, maar nu liep ik alsof ik jaren jonger was. Samen met mijn stadgenoten nog wel, die ik al die tijd had gemeden. Bij de put was de man nog met zijn discipelen. Hij was bezig hun te onderwijzen. Toen we aankwamen vertelde hij ons over het koninkrijk van God, dat hij Jezus was, Gods zoon en dat wij ook Gods kinderen mochten worden. Om me heen zag ik allemaal stralende gezichten. Nu begreep ik wat hij had bedoeld met levend water, dat als een bron zal worden in je binnenste. We vroegen hem nog bij ons in Sichar te blijven, en hij ging op die uitnodiging in. In de twee dagen dat hij er was, is de stad zo veranderd. Hij leerde ons over Gods koninkrijk, over bronnen van levend water en over zijn Geest. Gebroken mensen gingen weer stralen, zieken genas hij, bittere zielen vonden liefde en heling. In de dagen daarna sprak ik met veel mensen. Wat waren we blij. ‘Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt,’ zeiden ze, ‘maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is!’

Enkele jaren later mochten we weer zo’n geweldige tijd meemaken. Er waren toen veel mensen in de omgeving die Jezus zelf niet hadden meegemaakt, maar wel van ons over hem hadden gehoord. Filippus, een dienstknecht van Jezus kwam bij ons langs en vertelde over Jezus’ terugkeer naar de Vader, over zijn werk op aarde. Er was opnieuw een enorme dorst naar dit goede nieuws. En net als toen Jezus bij ons was, bleef het niet alleen bij woorden. Hij verrichtte wonderen in de naam van Jezus Christus, die nu in de hemel aan Gods rechterhand zit. Mensen werden bevrijd van boze geestem, vele verlamden en mensen die mank liepen werden genezen. De vreugde gonsde door de straten. Toen Johannes en Petrus ook nog naar ons toe kwamen en ons de handen op legden, ontvingen we de Heilige Geest.

Inmiddels ben ik oud geworden. Ik kan niet veel meer, maar wat ik wel kan is mijn kinderen en kleinkinderen vertellen over die man, die mij, verachte, samaritaanse vrouw, bij de put aansprak. Hij, die de liefde van God aan me aanbood. Hij is het waard aanbeden te worden!

Naar Johannes 4 en Handelingen 8

Dit recept mag niet ontbreken! Ooit heeft een chirurg mij dit recept watertandend staan te vertellen tijdens een operatie (ik weet niet meer wat we aan het opereren waren). Voor degenen die van dit detail hun eetlust verliezen: sorry!

Deze aardbeien zijn een heerlijke smaaksensatie voor een prachtige lente of zomeravond!

Nodig:
500 gram aardbeien
kristalsuiker
vers te malen peper
balsamico-azijn
creme fraiche

Was de aarbeien, verwijder de kroontjes (niet andersom), en snij ze in vier partjes. Doe een flinke scheut balsamico-azijn in een kommetje en voeg een paar scheppen suiker toe. Zorg dat de suiker zo goed mogelijk oplost in de azijn. Maal de peper door deze marinade. Maak voldoende om de aardbeien in te marineren.

Schep de aardbeien door het mengsel en zet het geheel in de koelkast. Laat dit minimaal een uur staan. Klop een 2 scheppen suiker door de creme fraiche.

Serveer de aardbeien in een ijscoupe met wat marinade. Doe boven op een schep creme fraiche als topping.

Vandaag maar weer een recept om mijn nieuwe rubriek een beetje te vullen. Het is een rode-bieten-salade. Eigenlijk hou ik zelf niet zo van bieten, maar ik had ze in huis dus moest ik er toch maar iets van maken. Ik moet zeggen dat het resultaat niet tegenviel.

Voor 4 personen

Nodig:
500 gram gekookte rode bieten
2 kleine elstar appeltjes
1/2 punt brie
1 kleine ui (rode ui is of chalotje is nog beter)
een handje pittenmix (aldi)
citroensap
vers te malen peper

Snij de gekookte bieten in blokjes. Als je ze zelf hebt gekookt, laat ze dan eerst afkoelen. Maal de peper er overheen. Snij de ui in fijne stukjes en doe ze bij de bietenblokjes. Voeg vervolgens een scheutje citroensap toe. Schil de appeltjes en snij ze in stukjes. Rooster de pitjes in kale pan (dus zonder olie) mooi bruin. Snij de brie in blokjes. Meng alle ingredienten in een schaal en laat het even staan.

Je kunt de salade serveren met aardappelpuree en een stukje vlees en jus.

Voor mijn verjaardag heb ik een dun boekje gekregen; ‘Appeltjes voor de Vorst’. Het is een bundel met verhalen van Adrian Plass. Sinds vanavond - toen ik mezelf had verplicht om 20 minuten aaneengesloten op de bank te zitten - ben ik er in begonnen. Ik had iets nodig om die 20 minuten te vullen.

Het is een geweldig boekje, maar het irriteert me ook in lichte mate, al wil ik dat liever niet toegeven. Meneer Plass schrijft over van alles wat me bezig houdt in zulke briljante bewoordingen, dat ik het hem kwalijk neem dat hij het al zo op heeft geschreven. Ik zou het zo willen schrijven, maar nu staat het daar al zwart op wit. Heel triomfantelijk staan die woorden daar perfect te wezen op dat papier. En als ik ze gebruik is het plagiaat.

Nou, een paar citaten dan maar:

Hoe ontleed je de zin van slapeloze nachten?
Wie is het onderwerp, wat het lijdend voorwerp
van een vriend die maar niet komt, of nu niet komt
en dan overgaat in een vreemde, bijzondere ochtend
een oogbeblinden licht dat toch niet verblindt? (p32)

Onze Vader die in de hemelen zijnt,
Jenny is vannacht voor de trein gesprongen.
Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome,
Ze was nog maar zevenendertig,
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op de aarde.
U wist toch wat ze ging doen, Here?
Geef ons heden ons dagelijks brood,
Ze had geen hoop meer, … (p19)

Laten we alkaar niet voor de gek houden - niemand laat zo’n diep ingesleten bezorgdheid los alleen maar omdat een ander zegt dat hij er verkeerd aan doet. Je hebt echt een verandering van perspectief nodig en waarschijnlijk een aanraking van de Geest, voor er iets radicaals gebeurd.

Weer geen inbrekers geweest vannacht.
Net als de nacht ervoor, toen kwam er ook geen een
en al die andere nachten zo ver ik terug kan denken
- geen inbrekers, alweer niet vannacht.
(…)
Ze zijn niet geweest de vorige nacht.
Stel dat ze nu nooit eens komen?
Zonde van al die nachten - ik had ook kunnen slapen.
Maar dan, dat weet ik zeker,
dan waren ze gekomen, die inbrekers,
ja, dan waren ze gekomen. (p43)

Uit: Appeltjes voor de Vorst van Adrian Plass, Merwedeboek 1997

Ik heb bedacht dat het ook wel leuk is om af en toe een recept te posten. Dus bij deze de eerste. Het is een andijviestamppot met een beetje variatie op de klassieke versie.

Nodig:
1 kg kruimige aardappels, geschild, in stukken
600 gram andijvie, gesneden
2 kleine elstarappels
1 rode paprika
kerriepoeder
evt. mayonaise
melk
duyvis pinda’s specially marinated, japanese teriyaki
peper en zout

Kook de aardappels in ongeveer 20 minuten gaar. Ondertussen kun je de paprika in reepjes snijden en de elstars in stukjes.
Verwarm een kopje melk. Giet de aardappels af, stamp ze fijn en voeg de melk langzaam toe tot een smeuige puree. Je kunt in de puree ook nog 2 eetlepels mayonaise toevoegen voor extra smaak. Voor de light versie dus alleen melk, kan ook prima. Voeg ondertussen ook kerrie toe tot de puree een mooie gele kleur heeft. Voeg peper en zout naar smaak toe.
Roer de andijvie, de paprika en de appel door de puree. Als alles wat afgekoeld is kun je het op een laag pitje nog even opwarmen.
Als laatste voeg je een handje pinda’s toe. Strooi op het bord nog wat pinda’s over het gerecht.

Klaar!

Vlees: Lekker met rundervinken.

Heb je dat ook wel eens gehad, dat je ’s ochtends wakker wordt en opeens merkt dat de scherpe kantjes ergens van af zijn? Of dat je op de fiets zit en de steen die je al maanden op je maag had liggen niet meer voelt? Of dat het je opvalt dat je zonder pijn kunt denken aan iets dat je eerst zo veel pijn deed? Dat je opeens merkt dat je grote liefde veranderd is van de perfecte prins in gewoon een leuk persoon?

Sommige omstandigheden of gebeurtenissen kunnen zo overweldigende pijn, angst, frustratie of boosheid opleveren, dat het op dat moment lijkt alsof het nooit meer anders zal voelen. Je worstelt en worstelt en het blijft je bezighouden. Als je in slaap wilt vallen, als je onder de douche staat, als je in de bioscoop of de kroeg zit, als je luistert naar een goede vriend, als je je tanden poetst. Alles lijkt er mee te maken te hebben. Telkens voel je het weer, die stekende pijn, die ontstellende woede, die verlammende angst of energievretende frustratie. Of misschien een mix van al die gevoelens.

En dan opeens is er dat moment: je realiseert je dat de scherpe randjes eraf zijn gegaan. Zonder dat je dat echt gemerkt hebt, is het milder geworden;  geworden tot een onderdeel van je bestaan, of misschien al een klein beetje je geschiedenis. En je kunt weer verder kijken, zonder dat die schaduw je achtervolgt. Je kunt weer door en zonder steen op je maag genieten.

Het overkwam mij op mijn verjaardag en ik beschouw het maar als een kado. Ik merkte dat ik het stoppen met mijn studie niet meer alleen maar ervaarde als een afgang, een frustratie. Dat mijn boosheid niet meer zo scherp was over hoe de zaken lopen op de uni. Dat niet alles meer overschaduwd wordt mijn studie. De steen was een stuk lichter geworden. Ik kan weer makkelijker verder kijken. Ik kan aanvaarden dat dit mijn weg is en dat anderen andere wegen bewandelen. Dat dit een stukje van mijn geschiedenis gaat zijn. Er was niet van het ene op het andere moment wat veranderd, maar ik merkte opeens dat ik me anders voelde dan een tijdje geleden.

Zo langzaam aan zijn de golven van de zee niet zo trots meer, de golven zijn rustiger geworden. Iets rustiger vaarwater, om eens van de omgeving te kunnen genieten. Thou rulest the pride of the sea, when the waves therof arise thou stillest them! (ps 89:10)

CW

Als we heel jong zijn moeten we al van alles. Je moet je rugtas op je rechter schouder dragen, geen rode broeken aantrekken, je veters moeten in je schoenen gestopt worden en een studiecontainer is uit den boze. Wordt je iets ouder, dan neem je zeker geen brood met kaas meer mee naar school en al helemaal geen appel. Je schrijft in blokletters en je hebt geen recycled kaftpapier. Je begint met roken. Of iets onschuldiger: zakken snoep verorberen.

Toen ik kind was, later tiener was ik een ster in observeren. Ik wist precies op welke manier ik moest lopen, welke fiets ‘in’ en welke fiets ‘uit’ was. Wie hippe ouders had en wie niet, wie het duurste mobieltje had. Sommige mensen moest je ook echt uit de buurt blijven. Met ze praten zou je imago ernstig kunnen schaden. Voor sommigen was ik vast zo iemand.

En dan wordt je op een zeker moment geacht volwassen en de ‘peer pressure’ ontgroeid te zijn. Was het maar zo…. Wat denk je van het halen van goede cijfers voor tentamens, altijd aanwezig zijn op alle onderwijsmomenten en demonstraties van farmaceuten en andere producenten? Het doen van taken in de gemeente, je huis netjes op orde hebben, voldoende sporten, er netjes uit zien, regelmatig naar de kapper gaan? Allemaal prima dingen op zichzelf. Maar is niet soms een deel van onze beweegreden die oude vertrouwde ‘peer pressure’? Het willen zijn voldoen aan de standaard die de mensen om je heen je opleggen, stilzwijgend weliswaar en zonder boze bedoelingen, maar toch.

God roept ons om authentiek te zijn, echt! Zonder berekende maskers en facades. We mogen de zekerheid van Hem ontvangen dat we geliefd, bemind en gekoesterd zijn. Peer pressure hoeft geen invloed meer op ons te hebben, we mogen zijn wie we zijn en worden wie Hij ons bedoeld heeft om te zijn!

CW