Na een klein incident met een zwaard en een oor, wordt Jezus uiteindelijk gegrepen door de Romeinse soldaten, de Joodse gerechtsdienaars en hun aanvoerder. Voor dit doel willen ze wel samenwerken, hoewel ze allemaal zo hun eigen redenen hebben om hem uit te willen schakelen. Ze slaan hem in de boeien – alsof hij weg zou lopen – en brengen hem naar Annas en die stuurt hem door naar zijn schoonzoon.
Vervolgens beschrijft Johannes twee gebeurtenissen die zich op het zelfde moment afspelen.
Als Jezus het paleis van de hogepriester wordt ingebracht volgen twee van zijn leerlingen Hem op een afstandje. Eén van die leerlingen is een kennis van de hogepriester en de ander Petrus. De laatste gaat bij het vuur op de binnenplaats van het paleis zitten om zich te warmen. Midden tussen de slaven en gerechtsdienaars. Al snel wordt de aandacht op Petrus gevestigd. Iemand vraagt hem: ‘Jij hoort toch ook bij die Jezus uit Galilea?!’ Op luide toon, zodat iedereen die om het vuur heen zit het kan horen, ontkent Petrus: ‘Ik weet niet waar je het over hebt!!’ Nu heeft iedereen zijn accent gehoord, en hij valt op. Bovendien blijkt er ook nog een familielid van de man die Petrus het oor had afgehakt, bij het vuur te zitten. Hij herkent hem uit de olijfgaard. Voor Petrus het zich beseft, heeft hij drie keer zijn Heer verloochend. Als hij het geluid van de haan hoort, herinnert hij de woorden van Jezus. Hij snelt het paleis uit en huilt bittere tranen. Wat een ellende, hij heeft zijn Heer verloochend.
Wat moet dat een moment van afgang zijn geweest voor Petrus, van diep verdriet ook. De sanguinische Petrus, die altijd grote plannen had en gepassioneerde toewijding, hij had zijn Heer verloochend. Lucas beschrijft dat, op het moment dat hij Hem voor de 3e keer verloochend, Jezus om kijkt naar Petrus. Hij wist allang dat Petrus hem zou verloochenen. Maar Petrus had geloofd in zijn eigen passie, zijn eigen loyaliteit en trouw. En nu had hij zichzelf teleurgesteld. Hoe herkenbaar is dat en hoe bitter kunnen tranen dan zijn.
Ondertussen ondervraagt Kajafas Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. Jezus antwoordt: ‘Alles wat ik gesproken heb, heb ik in het openbaar gesproken, in de synagogen, in de tempel, op openbare plekken. Ik heb nooit in het geheim gesproken. Waarom ondervraagt u mijn toehoorders niet? Zij weten wat ik gezegd heb.’ Als zijn antwoord niet in de smaak valt en geven de dienaren die er omheen staan hem een klap in zijn gezicht. Er worden poging gedaan om betrouwbare getuigenverklaringen op tafel te krijgen. Er zijn vele getuigen, maar ze blijken allemaal een andere verklaring te hebben. Kajafas komt er ook niet verder mee en besluit Jezus naar Pilatus te brengen, die gerechtigd is te oordelen.