Arts in spé


Mijn carriëre als docent bij de opleiding tot doktersassistente was kort. Ik werd aangenomen voor 6 weken, om wat tijd te overbruggen tot de nieuwe docent kwam werken. Ik leerde mijn vier klassen snel kennen; twee uitermate gemotiveerde klassen en twee klassen vol puberdames. De laatsten waren erg vermoeiend om les te geven. Toch lukte het me, voor zo ver ik dat zelf kan inschatten, om ze wat te leren over chronsiche longziekte, suikerziekte en hart-en vaat ziekten (HVZ). De twee gemotiveerde klassen waren een compleet andere ervaring. De leerlingen hingen aan mijn lippen en gaven mijn ego een finke boost. Ik legde deze leerlingen uit dat nauwkeurig waarnemen een onmisbare eigenschap is in het medische vak. Goed opletten: Hoe gedraagt iemand zicht? Hoe beweegt iemand? Wat zie je aan de huid? Zijn er littekens? Wat zie je aan de kleren? Hoor je iets bijzonders?

Om dit te trainen, leerde ik ze een spelletje wat ik zelf regelmatig met vrienden heb gespeeld. Het didactische gehalte is hoog en als het discreet wordt gespeeld is er heus niks mis mee. Het spelletje heet ‘Medisch Bingo’. Het minimum aantal spelers is 1 en het maxumim onbeperkt. De ideale plek is een grote plein in een stad (Praag leent zich hier prima voor), maar het kan ook op allerlei andere plekken worden gespeeld. Het doel van het spel is mensen te ontdekken die lijden aan bepaalde aandoeningen. De clou is dat kleine kenmerken veel kunnen verraden over de gezondheid van mensen. Als je het spel met meerder mensen speelt, kun je er een competitie van maken. Niet-medici kunnen gerust meedoen na enige uitleg van specifieke ziektebeelden.

De leerlingen waren enthousiast; ze deden meteen de week erna verslag. Iemand had een persoon met een longziekte gezien en verschillende leerlingen rapporteerden dat ze blinde medeburgers hadden gespot. Voor dat laatste is overigens meestal niet zo’n erg opmerkzaam oog nodig; maar, het is een begin! Vervolgens hing ik een hele les over hormoonproblemen op aan de vraag wat er aan een patiënt met specifieke hormoonziekten te zien zou kunnen zijn. Een slanke vrouw, dun gekleed in de winter, druk pratend, het zweet op het voorhoofd, zou een overmatige actieve schildklier kunnen hebben. Een man met een ietwat te grote neus, een dikke plooi tussen zijn wenkbrauwen en enorme handen en voeten zou kunnen lijden aan een hormoonproducerende tumor in de hersenen. Het sprak tot hun verbeelding. De les was veel te snel om.

Vandaag was ik blij dat deze leerlingen mij niet hebben gezien in de benarde positie waarin ik terecht kwam. Ze zouden me zeker hebben uitgelachen en het was hun goed recht geweest. Ik zat in de trein naar Zwolle, genoot van de zon die door het raampje op mijn gezicht viel, een goed boek en een kopje koffie. In Arnhem kwam er iemand naast me zitten. Hij paste amper tussen de stoel waar op hij wilde gaan zitten en die ervoor. Ik had het gevoel dat ik volledig ingesloten werd. Hij had een enorme buik, zijn t-shirt zat er strak overheen gespannen. Om mij nog wat ruimte te laten, moest hij zijn armen voor zijn buik houden, wat hij voor elkaar kreeg door zijn handen op zijn buik te vouwen, ter hoogte van zijn uitpuilende navel. Liet hij even los, dan werden mijn schouders platgedrukt tussen zijn lijf en de stoel. Ik schoof zo ver als ik kon naar het raam.

Hij ademde zwaar. Elke uitademing was geforceerd, zelfs nadat hij al een paar minuten zat. Hij hoestte zo nu en dan. In gedachten voerde ik een snelle risicoscreening uit. Dit leverde een zeer slecht cardiovasculair risico-profiel op: een persoon van het mannelijk geslacht, de vijftig gepasseerd, rokend, morbide obees met een enorme buikomvang. Bovendien leed deze man met absolute zekerheid aan chronisch obstuctief longlijden. Verder had ik een donkerbruin vermoeden dat hij ook last had van slaapapneus (korte ademstilstandjes tijdens het slapen) en suikerziekte. Over zijn therapietrouw twijfel ik ernstig, aangezien hij er nogal onverzorgd uit zag.

Ik voelde mij in deze bijna platgedrukte houding tussen deze omvangrijke man en het raam uiterst ongemakkelijk. Ik probeerde verder te lezen, maar ik kon met niet afsluiten voor de geforceerde uitademing die met strakke regelmaat te horen was. Het was mij bang te moede dat ik het nog 45 minuten vol moest houden in deze positie en overwoog te verkassen met mijn thermosflesje en dikke trekkersrugzak. Maar dan moest ik langs de buik en bovendien gaf het me een respectloos gevoel. Als ik geloofde dat God deze man heeft gemaakt en van hem houdt (en dat geloof ik), wie was ik dan om niet naast hem te willen zitten. Dus ik bleef zitten me realiserend dat dit ‘Bingo!’ in het quadraat te noemen was; een variant van het spel die me wel erg dicht op de huid kwam. Zó dichtbij dat ik bijna het HVZ-risico kan voelen en de biefstuklongen kon visualiseren. Hoewel ik een fanatieke speler van dit spel ben, hoeft dat van mij nu ook weer niet. Maar ja, dat krijgt je van zulke spelletjes. De doktersassistenten in spé hadden deze man vast en zeker als risicopatiënt herkent, na mijn bezielende lessen daarover. Helaas kan ik deze ervaring niet meer met hen delen; ik ben inmiddels geen docent meer.

Corine

‘Weet je al wat je wilt gaan doen?’ Deze vraag krijg ik de afgelopen weken zeer vaak. Eerst was mijn antwoord nog: ‘Ik wil eerst wat ervaring op doen en daarna solliciteren voor de huisartsenopleiding.’ ‘Oh leuk,’ was dan vaak het antwoord. Nu ik echter mijn weerstand op gegeven heb tegen mijn groeiende interesse voor de microbiologie en openbaar durf toe te geven dat ik sterk overweeg microbioloog te worden, zijn de reacties heel anders.microscoop

‘Microbiologie? Oh, bijzonder,’ of ‘Oh, je gaat dus een carrieremove maken, wel zonde van die 6 jaar geneeskunde’ of ‘Hoezo microbiologie, de hele dag door de microscoop kijken,’ of ‘Dat is ook jammer, dat je dan geen patiëntencontact meer hebt’. Het ergste zijn de opmerkingen waarbij er een geestelijke draai aan wordt geven: ‘Is dat niet zonde van de gaven die je heb gekregen?’ Tussen de regels door klinkt een verwijt dat ik de mensheid te kort zou doen door mezelf ‘op te sluiten’ in een lab.

Nou, ik zal je vertellen wie er in het lab werken: uiterst sociaal-onbegaafde mensen. Ze zijn als ‘mensen-dokter’ mislukt en hebben zich teruggetrokken in hun laboratoriumburcht. Veilig, ver weg van alles wat ’sociaal’ is. Ze doen hun ding, volkomen op zichzelf, zonder enige vorm van menselijke communicatie. Ze halen hun hart op bij het determineren van bacteriën, communiceren met schimmels en koesteren virussen. Feitelijk fungeert het lab als een uitslagenmachine: je stopt er een potje sputum of een flesje bloed in en er komt een uitslag uit.

De uiterst empatische ‘mensen-dokter’ neemt vervolgens de uiterst verantwoordelijke taak op zich om deze uitslag aan de patiënt mee te delen: ‘Meneer, uw infectie wordt veroorzaakt door een coagulase negatieve staaf. We zullen het moeten behandelen met penicilline in een infuus.’ Het is maar goed dat dat aan de mensen-dokter wordt overgelaten. Want het is wel duidelijk wie hier echt doktert.

Vandaag post ik een stuk van de hand van  Babs Verblackt. Een aantal weken geleden interviewde ze mij samen met 2 vriendinnen over hoe wij ons geloof beleven in onze studie. Hieronder het stuk wat vandaag in  ‘Arts in spé’ verscheen.


Geloven in meer dan geneeskunde
Publicatie: Nr. 1 – februari 2009
Auteur: Babs Verblackt
Pagina: 8-11

‘De evolutietheorie is niet mijn waarheid’

Ze gaan met God aan hun zijde hun studie door. Dat geeft steun, maar ook dilemma’s. Hoe combineer je geneeskunde en geloof? Vijf studenten – één moslim en vier christenen – vertellen.

Parweez Kohestanie (zesdejaars), Toos Manintveld (zesdejaars) en Mark-Jan (vierdejaars), Annelies (zevendejaars) en Corine (zesdejaars), die alleen hun voornamen willen gebruiken, studeren vol overgave geneeskunde in Nijmegen en Groningen. Maar met net zoveel overgave geloven ze in meer dan wetenschap alleen.
‘Mijn keuze voor geneeskunde is deels uit mijn geloof voortgekomen’, zegt Parweez. ‘In de Koran staat: wie één mens redt, redt de hele mensheid. Je móet mensen helpen, dat is mijn islam. Ik voel ook echt voldoening als ik een patiënt help. Welk geloof ze hebben, hoef ik niet te weten, ik help iedereen. Je hart moet even wit zijn als je doktersjas.’
Voor Mark-Jan was geneeskunde juist een aanleiding zich in het geloof te verdiepen. Hij begon in 2005 niet-gelovig aan zijn studie. ‘Ik kon al het lijden dat ik in de studie zag, moeilijk rijmen met de bewering dat er een liefdevolle God is’, zegt hij. ‘Dus besloot ik nog één laatste keer te zoeken of er inderdaad meer is. Ik dacht: als er een God is, moet hij zich maar aan me kenbaar maken. Ik begon met bijbellezen en naar kerkdiensten gaan. Op een gegeven moment gebeurden zulke bijzondere dingen, zoals gebeden die werden verhoord en dingen die te toevallig waren, dat ik ervan overtuigd raakte dat God wel moest bestaan.’
Nog steeds vindt hij het moeilijk om lijden te plaatsen of te aanschouwen. ‘Maar ik geloof dat lijden niet van God komt en dat God met de mensen meevoelt. Zijn antwoord is mensen te gebruiken om iets eraan te doen. Geneeskunde is een van zijn instrumenten om mensen van lijden te verlossen.’
Volgens Annelies heeft God leiding gehad in haar keuze voor geneeskunde. ‘Het is niet zo dat ik vanuit de Bijbel dacht: ik moet arts worden. In het begin twijfelde ik zelfs aan geneeskunde’, vertelt ze. ‘Moest ik nou wel of niet meeloten? Ik besloot het in Gods handen te leggen. Niet het lot, maar God, zeggen ze wel eens. Ik werd meteen ingeloot.’

(Meer…)

Soms kunnen de momenten van heldendom zich snel afwisselen met momenten van diep besef dat je een beginneling bent. In de afgelopen dagen waren er momenten van grote trots, het gevoel iets bereikt te hebben, een end op weg te zijn. Maar vanmiddag was me ook weer erg duidelijk hoe goed ik in de beginners-categorie pas.

Vrijdag mailde een specialist uit het ziekenhuis me of ik hem wilde bellen op zijn pieper. Dus ik het Radboud bellen en met doorlaten verbinden met dokter S. ‘Ja, waarvoor ik je wilde spreken,’ zei hij, ‘is dat we binnenkort sollicitatierondes hebben. Ik zou het leuk vinden als je mee-solliciteert voor een opleidingsplek.’ Hij had zich enigszins vergist; dacht dat ik al basisarts was, of dat binnen enkele weken zou zijn. Dat duurt nog maanden, dus dat solliciteren gaat niet door. Maar toch ging ik triomfantelijk naar de assistentes van de huisarts (waar ik nu stage loop), om te vertellen dat ik uitgenodigd was om mee te solliciteren. Dikke veer in mijn reet!

Vanmiddag werd ik weer gepositioneerd in die andere categorie; ‘beginner’. Ik was in gesprek met een patiënt en ik probeerde toe te passen wat we enkele uren daarvoor als feedback hadden meegegeven aan een medestudent: hou zelf de regie in het consult. De patiënt ging er totaal met de regie vandoor en het gesprek was mega chaotisch. Ik kon niet anders dan bekennen aan mijn supervisor dat ik er niet veel van had gebakken. En of hij me wilde helpen…

Maar gelukkig mocht ik toch met een succesje naar huis vandaag. Ik heb een corpus alienum van een cornea afgegutst(=stofje uit een oog gehaald). Verdoofd, vergrootglasbril op, oogleden fixeren, hup met een gutsje er langs en de patiënt was van de oorzaak van zijn rode oog af. Het stukje wat in zijn oog zat, was 2 dagen eerder op de huisartsenpost over het hoofd gezien.

In zekere mate zullen we altijd beginners blijven! Maar wat geeft het? Ik heb vandaag voor het eerst iets uit iemands oog gegutst. Leren is leuk!

Voordat een antibioticum op de markt mag worden gebracht moet er heel wat gebeuren. Nadat is aangetoond dat het middel  bacteriën in een schaaltje op een voedingsbodem kan doden, moet worden aangetoond dat het ook effect heeft in levend weefsel.

Dat gaat als volgt:

  • Men neme een 1.000.000 bacteriën en spuit die in het dijbeen van een muis
  • Herhaal dit een aantal maal in telkens een nieuwe muis
  • Dien de muis vervolgens een antibioticum toe, bij elke volgende muis een hogere dosering
  • Wacht 24h
  • Neem het dijbeen van de muis en mix dit met een staafmixer
  • Bepaal het aantal bacteriën in de dijbeenmassaAUC MIC

Het aantal bacteriën dat je na 24h meet, kun je uitzetten tegen de totale hoeveelheid aan antibioticum wat je hebt toegediend. Als je helemaal niks toedient ( [AB] = 0 ) zullen de bacteriën vrijelijk kunnen groeien. Ze worden enkel beperkt door de ruimte die er is in het dijbeenweefsel. Uiteindelijk zullen ze ongeveer een aantal van 10^9 bereiken. (1.000.000.000). Als je een heel hoge concentratie van het middel toedient, zul je geen bacteriën meer kunnen aantonen in de dijbeenmassa. Dat betekent dat er minder dan 100 bacteriën aanwezig zijn. De grafiek die hieruit volgt ziet er uit als in het plaatje. (AUC op de x-as staat voor Area Under the Curve en is de totale dosis aan antibioticum die je toedient.) Naar aanleiding van deze metingen kun je conclusies trekken over de dosering die je minimaal nodig hebt om een infectie met dit middel te behandelen.

Dankzij antibiotica leven we nu veel langer dan 70 jaar geleden toen er nog geen antibiotica bestonden. Vroeger stierf bijvoorbeeld 100% van de patiënten met een hersenvliesontsteking. Nu is dat 10-30%. Voor de komst van de antibiotica stierf 50% van de patiënten met tuberculose, nu is dat in Nederland 1-7%.

Waarom dit technische verhaal?

Zou jij je dijbeen willen lenen voor dit onderzoek? Ik niet! Toch zijn er een hoop mensen die vandaag hebben geroepen dat dierproeven moeten worden afgeschaft. Het is vandaag Wereldproefdierendag. In het filmpje van de Jakhalzen in DWDD kwamen een aantal proefdierliefhebbers aan het woord. Het is treurig wat die allemaal roepen, zonder enige kennis van zaken te hebben over bijvoorbeeld het effect op de gezondheidzorg en de volksgezondheid als er geen proefdierproeven zouden zijn uitgevoerd.

Corine

Voor de liefhebber een stuk wat ik ooit als opdracht heb ingeleverd tijdens mijn coschappen (februari 2007). Ik heb het wat leesbaarder gemaakt voor jullie. Het gaat over hoe kinderen rouwen.


Aanleiding: Tijdens mijn coschap kindergeneeskunde, kwam er een jongen van 10 jaar op de polikliniek, die een halfjaar ervoor zijn moeder was verloren door een melanoom. De reden van verwijzing was hoofdpijn. Tijdens het consult werden er geen aanwijzingen gevonden voor een neurologische verklaring voor zijn hoofdpijn. De klacht werd geweten aan het rouwproces waar hij in verkeerde. Dit verhaal riep bij mij vragen op over hoe normale rouw bij kinderen verloopt en hoe je als arts hierin een goede rol kan spelen. De vragen die ik wil gaan beantwoorden zijn: Hoe kan rouw zich uiten bij kinderen? Wat is een goede rouwbegeleiding bij kinderen? Verschillende onderzoeken doen vermoeden dat onverwerkt verdriet uit de jeugd, verband houdt met psychopathologie op volwassen leeftijd. [1] Daarom is het belangrijk om als arts enige handvatten te hebben voor het begeleiden van rouwend kinderen.

Methode: Ik heb met verschillende zoekopdrachten in Pubmed, Medline en Psychinfo gezocht naar beschikbare artikelen in de medische bibliotheek. Ik heb me met name gericht op artikelen die fulltext verkrijgbaar waren en de boeken die in de medische bibliotheek op de planken stonden, in verband met de beperkte tijd.

Resultaten: In de literatuur wordt veel nadruk gelegd op het feit dat kinderen wel degelijk rouwen. Door velen zou dit in het verleden zijn ontkend. Kinderen rouwen echter wel degelijk, maar wel op een andere manier dan volwassenen. De manier waarop ze rouwen hangt onder andere af van hun intellectuele, verbale en emotionele ontwikkeling. Hun intellectuele ontwikkeling heeft effect op de concepten die ze hebben over de dood. Hun verbale ontwikkeling bepaalt het vermogen om woorden te geven aan de gevoelens die ze ervaren en hun emotionele ontwikkeling bepaalt onder andere hoe goed ze in staat zijn zich langere tijd op hun verdriet te richten. Ik zal een korte weergave geven van de verschillen in rouwen in globale leeftijdscategorien. Daarna zal ik ingaan op algemene principes in de rouw en de rouwbegeleiding.

De verschillende manieren van rouwen zijn goed te begrijpen naar aanleiding van de verschillende ontwikkelingsfases die een kind doorloopt volgens de theorie van Piaget. Deze fasen zijn achterenvolgend de sensorimotore, preoperationele, concreet operationele en formeel operationele fase.

Kinderen van 0-2 jaar zijn in de sensorimotore fase. Dit betekent dat ze weinig verwerking van informatie hebben. Ze reageren reflexmatig op de sensorische informatie die ze waarnemen. De dood van een ouder ervaren zij met name als scheiding, verlatenheid en missen van zorg. Dit zal er voor zorgen dat het kind gaat huilen en tekenen van ongemak zal vertonen totdat de zorg weer door een andere constante persoon wordt opgepakt. De reactie van een kind op de dood van een ouder, is hetzelfde als wanneer ze om een andere reden verlaten worden door hun ouders. Deze jonge kinderen hebben geen enkel cognitief concept over de dood.

Kinderen van 2 tot 6 jaar zitten in de preoparationele ontwikkelingsfase. Ze gebruiken concrete voorwerpen en personen om te rederen, maar de logica hierin ontbreekt nog grotendeels. Ze zien de dood als iets omkeerbaars en tijdelijks. Ze personificeren de door vaak als geest, draak of engel. Ook zullen ze de dingen die over de dood worden gezegd altijd heel letterlijk nemen. Zo zullen ze er van overtuigd zijn dat de hemel op de begraafplaats is, want mama is in de hemel en ligt daar begraven [MK].

Kinderen van 6 tot 11 jaar beginnen langzaam aan te begrijpen dat de dood onomkeerbaar is. Ze krijgen een besef van de eindigheid van het leven. Wel vinden ze het moeilijk te vatten dat iemand van hun geliefden of zij zelf kunnen sterven. Deze kinderen zitten in de fase van het concreet operationele denken. Ze kunnen logisch denken in terme van oorzaken en gevolg maar hebben moeite met abstracte ideen.

Kinderen ouder dan elf weten dat de dood onomkeerbaar is. Ook realiseren ze zich dat het leven van iedereen eindig is. Ze weten dat iedereen, inclusief zij zelf en hun geliefden eens zullen overlijden. Op deze leeftijd zijn kinderen in staat om op een filosofische en abstracte manier over de dood na te denken. Ze zijn dan in de formeel operationele fase beland. Hierdoor kunnen ze logisch nadenken over abstracte issues en hypothetische situaties.

Voor alle leeftijden geldt dat het belangrijk voor kinderen is dat ze de waarheid te horen krijgen, als er iemand is overleden. Daarom is het aan te bevelen om tijd te nemen om het kind op zijn of haar eigen nivo uit te leggen wat er gebeurd is. Het is belangrijk om uit te leggen dat de geliefde gestorven is en niet meer terug komt. Ook moet er aandacht besteedt worden aan het feit dat het kind niet schuldig is aan de dood van de overledene, of het had kunnen verkomen. Dit voorkomt dat het kind (irreële) schuldgedachten gaat ontwikkelen. Stimuleer de nabestaanden hun verdriet niet voor het kind te verbergen. Als het kind het verdriet kan delen, zal dit de gevoelens van isolatie verminderen.

Als arts kun je de ouder(s) stimuleren om het kind mee te nemen naar de uitvaart. Als het kind goed wordt voorbereid op deze gebeurtenis, is dit een waardevol onderdeel in de verwerking van het kind. Er zijn veel verschillende vormen te bedenken, waarop het kind kan worden betrokken bij de uitvaart. Een jong kind kan bijvoorbeeld een tekening maken voor in de kist, een ouder kind zou iets kunnen vertellen tijdens de uitvaartdienst.

Conclusie: Kinderen rouwen weldegelijk, zij het op een andere manier dan volwassenen. Om te begrijpen hoe een kind rouwt, zul je moeten weten in wat voor ontwikkelingsfase hij of zij verkeert. Het is belangrijk om het kind eerlijk te vertellen wat er aan de hand is als er iemand in zijn omgeving overlijdt. Hierbij moeten woorden gekozen worden die het kind begrijpt en moet worden aangesloten bij het concept wat het kind over de dood heeft. Het is verder belangrijk om te zoeken naar manieren om het kind te betrekken bij de uitvaart, de herinneringen aan de overledene etc. Dit helpt het kind om het verdriet te kunnen verwerken en zich minder geisoleerd te voelen.

Geraadpleegde literatuur:

  • [1] Grace H. Christ, MSW, DSW and Adolph E. Christ, MD, DMS Current Approaches to Helping Children Cope with a Parent’s Terminal Illness.CA Cancer J Clin 2006; 56:197-212
  • [2] Sroufe LA, Cooper R, Dehart G. Child development, Its nature and course. 1996 The McGraw-Hill Companies. (Hoofdstuk 1 The nature of development)
  • [3] Committee on psychosocial aspects of child and family health. The pedriatician and childhood bereavement. Pediatrics 2000;105: 445-7.
  • [4] Keirse M. Helpen bij verlies en verdriet. Een gids voor het gezin en de hulpverlener. 1996 Lannoo Tielt. (Hoofdstuk 4 Kinderen rouwen ook)

Menig co-assistent vraagt zich met enige regelmaat af of hij wel een goede arts gaat worden. Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag, aangezien er verschrikkelijk veel kanten zitten aan het artsenvak. De wannabe-chirurg kan zichzelf gerust stellen met het feit dat hij een vaste hand heeft, de aanstaande oogarts kan bogen op zijn intacte dieptezien en de internist van de toekomst leert de normaalwaarden van de laboratoriumuitslagen gewoon uit haar hoofd. En weg is alle twijfel! Daar staat de arts in spé weer in zijn witte jas, met een fatsoenlijk portie zelfvertrouwen.

Maar als je een stukje uit het boek ‘De gezonde patiënt’ van dokter Jannes Koetsier leest, lijkt het allemaal nog veel gemakkelijker. Volgens zijn checklist voldoet een goede arts aan 16 punten. Ik doe er een greep uit. Allereerst is hij of zij geïnteresseerd in de reden dat de patiënt naar het spreekuur komt. De arts heeft aandacht voor de emoties en cognities van de patiënt over de kwaal of klacht. De goede arts vindt het prima als de patiënt een second opinion wil, gebruikt voor de patiënt begrijpelijke taal en durft te laten merken niet alles te weten.

Een aantal van deze punten lijken verdacht veel op het, onder Nijmeegse geneeskunde studenten welbekende, SCEGS-model (uitleg verderop). De overige punten zijn samen te vatten als een arts die oog heeft voor de patient als persoon, die hij zonder trots benaderd. Er is dus hoop! Pak je SCEGS-aantekeningen er nog eens bij; als je die beheerst heb je zeker al 4 punten van de 16. Als je verder ook nog ‘mens’ blijft bij het uitvoeren van je vak, ben je een eind op weg richting de titel ‘goede arts’.

Voor de niet-nijmegen-geneeskunde-student:

SCEGS is een acroniem dat staat voor Somatisch, Cognitief, Emotioneel, Gedragsmatig, Sociaal. Het wordt aangeleerd aan studenten als kapstok om een vraaggesprek met de patiënt te voeren. Door het gebruik van dit model ben je in staat om onder andere boven tafel te krijgen waarom de patiënt bij je op het spreekuur is, wat zijn gedachten zijn over de kwaal en wat voor emoties de klachten met zich meebrengen.