Meegemaakt


Voor mijn verjaardag heb ik een dun boekje gekregen; ‘Appeltjes voor de Vorst’. Het is een bundel met verhalen van Adrian Plass. Sinds vanavond - toen ik mezelf had verplicht om 20 minuten aaneengesloten op de bank te zitten - ben ik er in begonnen. Ik had iets nodig om die 20 minuten te vullen.

Het is een geweldig boekje, maar het irriteert me ook in lichte mate, al wil ik dat liever niet toegeven. Meneer Plass schrijft over van alles wat me bezig houdt in zulke briljante bewoordingen, dat ik het hem kwalijk neem dat hij het al zo op heeft geschreven. Ik zou het zo willen schrijven, maar nu staat het daar al zwart op wit. Heel triomfantelijk staan die woorden daar perfect te wezen op dat papier. En als ik ze gebruik is het plagiaat.

Nou, een paar citaten dan maar:

Hoe ontleed je de zin van slapeloze nachten?
Wie is het onderwerp, wat het lijdend voorwerp
van een vriend die maar niet komt, of nu niet komt
en dan overgaat in een vreemde, bijzondere ochtend
een oogbeblinden licht dat toch niet verblindt? (p32)

Onze Vader die in de hemelen zijnt,
Jenny is vannacht voor de trein gesprongen.
Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome,
Ze was nog maar zevenendertig,
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, zo ook op de aarde.
U wist toch wat ze ging doen, Here?
Geef ons heden ons dagelijks brood,
Ze had geen hoop meer, … (p19)

Laten we alkaar niet voor de gek houden - niemand laat zo’n diep ingesleten bezorgdheid los alleen maar omdat een ander zegt dat hij er verkeerd aan doet. Je hebt echt een verandering van perspectief nodig en waarschijnlijk een aanraking van de Geest, voor er iets radicaals gebeurd.

Weer geen inbrekers geweest vannacht.
Net als de nacht ervoor, toen kwam er ook geen een
en al die andere nachten zo ver ik terug kan denken
- geen inbrekers, alweer niet vannacht.
(…)
Ze zijn niet geweest de vorige nacht.
Stel dat ze nu nooit eens komen?
Zonde van al die nachten - ik had ook kunnen slapen.
Maar dan, dat weet ik zeker,
dan waren ze gekomen, die inbrekers,
ja, dan waren ze gekomen. (p43)

Uit: Appeltjes voor de Vorst van Adrian Plass, Merwedeboek 1997

Heb je dat ook wel eens gehad, dat je ’s ochtends wakker wordt en opeens merkt dat de scherpe kantjes ergens van af zijn? Of dat je op de fiets zit en de steen die je al maanden op je maag had liggen niet meer voelt? Of dat het je opvalt dat je zonder pijn kunt denken aan iets dat je eerst zo veel pijn deed? Dat je opeens merkt dat je grote liefde veranderd is van de perfecte prins in gewoon een leuk persoon?

Sommige omstandigheden of gebeurtenissen kunnen zo overweldigende pijn, angst, frustratie of boosheid opleveren, dat het op dat moment lijkt alsof het nooit meer anders zal voelen. Je worstelt en worstelt en het blijft je bezighouden. Als je in slaap wilt vallen, als je onder de douche staat, als je in de bioscoop of de kroeg zit, als je luistert naar een goede vriend, als je je tanden poetst. Alles lijkt er mee te maken te hebben. Telkens voel je het weer, die stekende pijn, die ontstellende woede, die verlammende angst of energievretende frustratie. Of misschien een mix van al die gevoelens.

En dan opeens is er dat moment: je realiseert je dat de scherpe randjes eraf zijn gegaan. Zonder dat je dat echt gemerkt hebt, is het milder geworden;  geworden tot een onderdeel van je bestaan, of misschien al een klein beetje je geschiedenis. En je kunt weer verder kijken, zonder dat die schaduw je achtervolgt. Je kunt weer door en zonder steen op je maag genieten.

Het overkwam mij op mijn verjaardag en ik beschouw het maar als een kado. Ik merkte dat ik het stoppen met mijn studie niet meer alleen maar ervaarde als een afgang, een frustratie. Dat mijn boosheid niet meer zo scherp was over hoe de zaken lopen op de uni. Dat niet alles meer overschaduwd wordt mijn studie. De steen was een stuk lichter geworden. Ik kan weer makkelijker verder kijken. Ik kan aanvaarden dat dit mijn weg is en dat anderen andere wegen bewandelen. Dat dit een stukje van mijn geschiedenis gaat zijn. Er was niet van het ene op het andere moment wat veranderd, maar ik merkte opeens dat ik me anders voelde dan een tijdje geleden.

Zo langzaam aan zijn de golven van de zee niet zo trots meer, de golven zijn rustiger geworden. Iets rustiger vaarwater, om eens van de omgeving te kunnen genieten. Thou rulest the pride of the sea, when the waves therof arise thou stillest them! (ps 89:10)

CW

Laatst had ik een aangrijpende ontmoeting. Ik sprak met een man. Hij had alles bereikt in het leven. Hij was laag begonnen, had heel lang buiten, tussen de dieren gewerkt, maar op een bijzondere manier was hij opgeklommen. Uiteindelijk had hij bijna de hoogst mogelijke functie bereikt. Hij sprak dagelijks met allerlei hoogwaardigheidsbekleders. Ook in de de liefde was hij succesvol. De vrouwen liepen achter hem aan. Hij had vele liefdes gehad.

Zelfs zijn relatie met God was er één waar velen jaloers op zouden staan. Hij stond op vertrouwelijke voet met God. Hij dichtte veel liedteksten over Gods goedheid. En God genoot van zijn leven.

Maar wat hij mij vertelde ging niet over succes en geluk. Hij vertelde me dat hij zich ellendig voelde en dat niemand hem begreep!

God is boos op me, hij wil me straffen, en Hij heeft groot gelijk. Ik voel me schuldig over wat heb gedaan in mijn leven. Maar ook vooral om alles wat ik niet heb gedaan, maar wel had moeten doen. Ik ben tekort geschoten. Gods toorn is terecht. Het voelt alsof Hij pijlen op me afschiet die me diep raken en zijn hand rust zwaar op mijn leven.

Ik ben moe, ik heb geen sprankje energie meer in mijn lijf. Als ik maar iets doen ben ik uitgeput. Het zijn mijn zonden die me hebben afgebroken. Er ligt een deken over mijn leven, een klamme deken en ik kan em niet van me afschudden. Ik weet niet hoe ik het zo ver heb kunnen laten komen dat ik zo veel schuld heb: schuld aan mijn ouders, mijn kinderen. Ik heb een afkeer van mezelf! Wie wil mijn gezelschap nu nog?!

Ik kan alleen nog maar naar de grond kijken. Soms probeer ik me op te richten, maar het lukt niet. Mijn ogen gaan vanzelf weer naar de grond. Ik heb ook geen zin meer om me fatsoenlijk te kleden en te scheren. Het kan me niks schelen. Wat is er nog van me over? Ik ben doodziek, ik heb overal pijn en ik heb telkens hartkloppingen. Dan denk ik dat ik dood ga en dat is een zoete gedachte.

Ik weet dat de Heer mijn roepen hoort. Maar hoe lang zal Hij nog over me heen kijken en me vergeten? Ik maak er naar God toe geen geheim van dat ik dit geen leven vind. Hij kent mijn verlangens, maar lijkt er niet echt haast me te maken om me te helpen. Als hij lang wacht hoeft het niet meer. Mijn krachten laten me steeds meer in de steek en mijn ogen zijn dof geworden.

Mijn beste vrienden zie ik ook nooit meer. Ze zijn bang voor wat ik je nu vertel. Ze weten er niet mee om te gaan. Wat moeten ze met iemand die het leven niet meer ziet zitten? Bovendien ben ik onaangenaam gezelschap. Ik heb nergens meer zin in. Niets van wat we vroeger samen deden kan me boeien. Eigenlijk had ik altijd al verwacht dat ze weg zouden lopen als ze echt zouden weten wie ik ben. Die tijd is er nu.

Ondertussen weten mijn vijanden me te vinden: demonen lokken mij in de val van de donkerheid. En ik kom er niet meer uit. Leugens plakken aan me vast en trekken me naar beneden. De waarheid lijkt zo ver weg. Waar is de tijd dat ik daar aan vasthield en Gods liefde voelde?

Ik ben met stomheid geslagen, ik doe net of ik doof ben. Ik wil niets horen, ik wil alleen maar rust. Wat valt er nog te zeggen. Mijn leven is mislukt, ik val mezelf tegen. Ik zie niet hoe het ooit nog goed zal komen. De glans is van het leven af. Ik weet niet waar de kleur van de lucht gebleven is en de helderheid van de zon. Alles is grijs, niet de moeite om voor op te staan.

Maar ik blijf tot mijn God roepen, ik hoop op Hem, tegen alle donkerheid in, tegen beterweten in ook misschien… Ik wil niet dat mijn vijanden om me lachen en me zien mislukken. Als God niet snel komt zal ik de ondergang vinden, voor altijd verdoemd. Het zijn mijn zonden die me zo in de problemen hebben gebracht.

Iedereen om mij heen is sterk en succesvol. Ik ben de enige mislukkeling. Vooral iedereen die zonder God leeft, heeft het goed. Soms vraag ik me af of ik mezelf mijn eigen god heb voorgespiegeld. Dat het één grote leugen blijkt te zijn. Toch roep ik tot God: verlaat mij niet! haast U om mij te helpen! U bent toch mijn redding??

Ik moet zeggen dat ik behoorlijk schrok van dit verhaal. Deze man ging gebukt onder somberheid, hij zag het leven niet meer zitten. De dood klonk hem als zoet in de oren, zoals hij zelf zei. Ik heb hem doorgestuurd naar professionele hulp! Het gaat me aan het hart hem zo te zien. Ik bid dat God hem op zal richten. Dat hij opnieuw hoop zal krijgen.

Corine

Ik moest langs de koffieautomaat lopen en dan op de het witte bankje gaan zitten, zei de baliemedewerker op een verveelde routine-achtige toon. Het bankje bestond uit 3 aparte zitplaatsen. Ik ging in het midden zitten. Na enkele minuten kwam er een meisje mijn kant op lopen. Zonder me aan te kijken ging ze naast me zitten. Eigenlijk zaten we net iets te veel in elkaars ‘persoonlijke zone’, maar ik vond het niet de moeite waard om een plek op te schuiven. Zij keek recht vooruit en werd eerder gehaald dan ik, door een nette, opgeruimde, hartelijke man, die haar bij de voornaam noemde. Het gaf me goede moed dat hier blijkbaar zulke hartelijke mensen werken. Even later werd ik geroepen. ‘Mevrouw Geerwater’. Ik stond op, hij gaf me een hand en zei: ‘kom verder Corien.’ Zijn voorkomen was opvallend: minimaal 2 meter lang, een grauwe, verwassen ruitbloes, met korte mouwen en een vale spijkerbroek. Later bedacht ik me dat ik niet eens zijn schoenen had gezien, wat een bijzonderheid voor mij is.

Hij bleek een bron te zijn van enorme stortvloeden woorden. Het begon al over het feit dat hij zelfs een kapstok had, ‘wat een luxe, hè!. En dat ik niet gesluierd hoefde te zijn in zijn kantoor, toen ik bij het afdoen van mijn sjaal, em per ongeluk onhandig voor mijn gezicht langs liet komen. Hij sprak me aan met ‘meisje’, ‘lieverd’ en ‘Corien’, alsof ik zijn dochter was. Tijdens zijn monologen, die telkens enkel werden opgewekt door één zin van mijn kant, had ik de tijd om zijn kamer te bekijken. Zijn buro lag bezaaid met boeken, tijdschriften en minder bestemd papierwerk. Voor het raam hingen rechte doorschijnende lappen die er voor zorgde dat ik de mensen buiten welk kon zien, maar zij mij niet. Links in de hoek van het buro stonden 2 foto’s. Eentje met een prachtige vrouw en een jong kind, eentje met 2 kinderen. Op de stapels papier stond een tissuebox. Ik kon niet begrijpen dat iemand die hier ooit nodig had, er was geen tijd om woorden te vormen die begeleid konden worden door tranen. Ondertussen bleef hij maar praten. Over dat er mensen waren op deze universiteit die hem een Oetlul zouden vinden, maar het gaf hem niet. Over het stelen van subsidiegelden door studenten. Over interfacultaire contacten, medicijnmannen en psychologen. Ik weet niet waar ik deze preken aan te danken had.

Uiteindelijk kwam hij toch nog to the point. Ik moest in ‘julij’ maar terug komen en dan zouden we de rest bespreken, want ‘dan moet er geld komen’. Toen stortte hij zich op het invullen van een geweldig ingewikkeld formulier, onderwijl vittend op een verre collega die haar taak niet goed had gedaan.

Het viel me op dat het witte t-shirt, dat hij onder zijn verwassen, ongestreken bloesje droeg, langere mouwen had dan het bloesje. Daardoor ontstond er een 2 cm brede witte rand aan het einde van de mouwen. Op de plek waar de broek zijn bierbuikje insnoerde, was een driehoekje te zien in dezelfde witte kleur; zijn bloes was ingestopt in zijn spijkerbroek, maar de onderste knoop was niet dicht en daardoor stond de bloes een stukje open. Ik was blij dat ik tegen het t-shirt aankeek.

Ik hield mezelf voor dat al deze dingen niet noodzakelijker wijs iets zeiden of de kwaliteit van zijn werk. Ik vertrouw er maar op dat hij het goed heeft gedaan, dat formulier invullen. En de rest komt in ‘julij, lieverd..’

Wanneer heb je voor het laatst iets voor het eerst gedaan? Nou ik ben vandaag voor het eerst naar de studentendecaan geweest. Voor het eerst in zes jaar. En het was me er één.

Corine