Postzegels


Ik moest langs de koffieautomaat lopen en dan op de het witte bankje gaan zitten, zei de baliemedewerker op een verveelde routine-achtige toon. Het bankje bestond uit 3 aparte zitplaatsen. Ik ging in het midden zitten. Na enkele minuten kwam er een meisje mijn kant op lopen. Zonder me aan te kijken ging ze naast me zitten. Eigenlijk zaten we net iets te veel in elkaars ‘persoonlijke zone’, maar ik vond het niet de moeite waard om een plek op te schuiven. Zij keek recht vooruit en werd eerder gehaald dan ik, door een nette, opgeruimde, hartelijke man, die haar bij de voornaam noemde. Het gaf me goede moed dat hier blijkbaar zulke hartelijke mensen werken. Even later werd ik geroepen. ‘Mevrouw Geerwater’. Ik stond op, hij gaf me een hand en zei: ‘kom verder Corien.’ Zijn voorkomen was opvallend: minimaal 2 meter lang, een grauwe, verwassen ruitbloes, met korte mouwen en een vale spijkerbroek. Later bedacht ik me dat ik niet eens zijn schoenen had gezien, wat een bijzonderheid voor mij is.

Hij bleek een bron te zijn van enorme stortvloeden woorden. Het begon al over het feit dat hij zelfs een kapstok had, ‘wat een luxe, hè!. En dat ik niet gesluierd hoefde te zijn in zijn kantoor, toen ik bij het afdoen van mijn sjaal, em per ongeluk onhandig voor mijn gezicht langs liet komen. Hij sprak me aan met ‘meisje’, ‘lieverd’ en ‘Corien’, alsof ik zijn dochter was. Tijdens zijn monologen, die telkens enkel werden opgewekt door één zin van mijn kant, had ik de tijd om zijn kamer te bekijken. Zijn buro lag bezaaid met boeken, tijdschriften en minder bestemd papierwerk. Voor het raam hingen rechte doorschijnende lappen die er voor zorgde dat ik de mensen buiten welk kon zien, maar zij mij niet. Links in de hoek van het buro stonden 2 foto’s. Eentje met een prachtige vrouw en een jong kind, eentje met 2 kinderen. Op de stapels papier stond een tissuebox. Ik kon niet begrijpen dat iemand die hier ooit nodig had, er was geen tijd om woorden te vormen die begeleid konden worden door tranen. Ondertussen bleef hij maar praten. Over dat er mensen waren op deze universiteit die hem een Oetlul zouden vinden, maar het gaf hem niet. Over het stelen van subsidiegelden door studenten. Over interfacultaire contacten, medicijnmannen en psychologen. Ik weet niet waar ik deze preken aan te danken had.

Uiteindelijk kwam hij toch nog to the point. Ik moest in ‘julij’ maar terug komen en dan zouden we de rest bespreken, want ‘dan moet er geld komen’. Toen stortte hij zich op het invullen van een geweldig ingewikkeld formulier, onderwijl vittend op een verre collega die haar taak niet goed had gedaan.

Het viel me op dat het witte t-shirt, dat hij onder zijn verwassen, ongestreken bloesje droeg, langere mouwen had dan het bloesje. Daardoor ontstond er een 2 cm brede witte rand aan het einde van de mouwen. Op de plek waar de broek zijn bierbuikje insnoerde, was een driehoekje te zien in dezelfde witte kleur; zijn bloes was ingestopt in zijn spijkerbroek, maar de onderste knoop was niet dicht en daardoor stond de bloes een stukje open. Ik was blij dat ik tegen het t-shirt aankeek.

Ik hield mezelf voor dat al deze dingen niet noodzakelijker wijs iets zeiden of de kwaliteit van zijn werk. Ik vertrouw er maar op dat hij het goed heeft gedaan, dat formulier invullen. En de rest komt in ‘julij, lieverd..’

Wanneer heb je voor het laatst iets voor het eerst gedaan? Nou ik ben vandaag voor het eerst naar de studentendecaan geweest. Voor het eerst in zes jaar. En het was me er één.

Corine

21-08-2007

Dit verhaal is nog niet af, misschien weet jij hoe het verder gaat…

Koning van mijn hart, ik heb u weer een krukje gegeven in een hoekje naast de deur. U was stil, maar aanwezig. U drong u niet op in het gesprek, knikte af en toe wel wat, maar nam niet zomaar het woord. Ik vergat uw aanwezigheid. Ik was in een geanimeerd gesprek geraakt met ‘Eigenwijsheid’ op de bank. Hij vroeg wat mijn plannen waren voor de toekomst. Ik vertelde hem over mijn twijfels, dat ik niet wist wat ik moest kiezen. Alles heeft wel een voor- en nadelen. Ik probeerde uit te leggen dat ik wachtte op een antwoord van mijn Leidinggevende. Hij vertelde me over ieders recht om er zelf iets over te vinden, dat ik ook echt mijn eigen mening mocht laten spreken over deze zaken. Hij adviseerde me niet al te veel naar anderen te luisteren. ‘Wie geeft ze het recht iets over jouw leven te vinden?!’ ‘Trots’ mengde zich in het gesprek. ‘Je hebt ook veel bereikt,’ zei hij. ‘Kijk naar de prestaties die je de afgelopen jaren hebt geleverd. Als je zo door gaat kun je nog veel meer bereiken. De wereld ligt voor je open’ ‘Zelfmedelijden’ die wat zielig in een hoekje had gezeten, kwam na wat biertjes een beetje los. Hij vond dat ik al genoeg had meegemaakt, genoeg ellende en verdriet gehad. Om wille van de gerechtigheid zouden tegenslagen nu wel echt tot het verleden behoren. Zijn vriendinnetje ‘Eigengerechtigheid’ deed er nog een schepje bovenop. ‘Ze hebben je jaren laten werken, zonder fatsoenlijke beloning. Er is niks mis mee om nu te halen wat er te halen valt. Je hebt er recht op! Dat is de achterstand die je nu kunt inhalen van de afgelopen jaren.’

De stemmen vermengden zich. De één praatte nog harder dan de ander. Niemand luisterde echt naar wat de ander zei. Ik voelde me onbegrepen, werd heen en weer geslingerd door de verschillende meningen. Toen ik een drankje ging halen in de keuken trof ik daar ‘Angst’. Ze zei tegen me dat ik me moest realiseren dat ik ook teleurgesteld kon worden. ‘Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt.’

Het had een feestje moeten zijn om van te genieten, maar mijn hart was onrustig.