Verhaaltjes


Nooit meer dorst hebben? Waar had deze man het over? Hij zag eruit alsof hij voornaam was, maar of hij ook enige wijsheid bezat, betwijfelde ik. Niet voor lang trouwens. Wacht, ik zal aan het begin beginnen, dan kun je het misschien volgen.

Het was weer één van die vele hete zomerdagen in een lange rij. Er leek geen einde aan te komen. ’s Morgens en ’s avonds was het wel uit te houden, maar rond de middag kijken de meeste mensen op zulke dagen wel uit om een vin te verroeren. Stil in de schaduw liggen en de tijd z’n werk laten doen, is dan de beste optie. Het enige voordeel van dat moment was dat er dan niemand bij de put was. Liever door de ondragelijke hitte ploeteren, dan elke dag leven met de veroordeling van tientallen afkeurende blikken. Ik kon het niet meer verdragen en had er een gewoonte van gemaakt water te halen op het moment dat de kans bijna nihil is om iemand te treffen.

Ik schrok daarom enigszins van de man bij de put. Hij droeg een mantel uit één stuk en had vriendelijke ogen. Hij keek meSamaritaanse aan en zei: ‘geef me wat te drinken.’ Het verbaasde me; er klonk respect in zijn stem. Er was alle reden voor minachting van zijn kant. Ik ben een vrouw, hij een man. Ik ben een Samaritaanse, hij is een Jood. En wat te denken van mijn verleden, hij moet toch wel begrepen hebben dat ik niet voor niets op dat tijdstip bij de put was. ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse,’ zie ik. Zijn antwoord was vreemd en onverwachts: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven’. Ik begreep niet wat hij zei. Zo even vroeg hij nog aan míj om water en nu beweerde hij dat ik hém om water moest vragen, vanwege zijn afkomst of iets dergelijks. En wat bedoelde hij met wat God me wilde geven? Wat wist hij daarvan, bij God had ik immers alles verspild?! Ik gooide het maar over de praktische boeg: ‘Meneer, u hebt geen emmer en de put is diep - waar wilt u dan levend water vandaan halen. U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee. Maar zonder emmer komt u niet ver!’ Hij keek me aan en zei: ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen. Maar wie het water drinkt dat ik hem geef zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’ Nooit meer dorst hebben? Hoe zag deze man dat voor zich? Haha, handig is het wel, nooit meer op dit nare tijdstip dit eind lopen en weer terug. Het zou een uitkomst zijn. ‘Geef mij dat water, meneer,’ antwoordde ik hem met meer sarcasme in mijn stem dan ik had gewild, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hier heen te komen om water te putten!’

Hoewel ik op dat moment niets begreep van deze man en van wat hij zei, was er iets in zijn woorden dat me aantrok. Hij commadeerde me niet, verachtte me niet, negeerde me niet. Hij was een gesprek met me aangegaan, had me een vraag gesteld, hij keek me zelfs aan. Hij deed alles wat ik niet had verwacht. Zijn reactie op mijn sarcasme was al even bijzonder: ‘Ga je man eens roepen en kom dan weer terug.’ Voor ik het wist antwoordde ik hem met de waarheid: ‘ik heb geen man.’ Zijn reactie zal ik nooit meer vergeten. Hij kende mijn verleden, hij wist wie ik was. Maar hij oordeelde niet toen hij zei: ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt, u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’ Het was alsof de schellen van mijn ogen vielen. ‘Nu begrijp ik, meneer, dat u een profeet bent!’

Ik was even stil, maar begreep dat ik nu eindelijk de kans had om de vraag te stellen die me al jaren bezig hield. ‘Onze voorouders vereerden God op deze berg en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden. Wat is nu de waarheid? Ik verlang ernaar God te aanbidden, maar waar?’ ‘Geloof me,’ zei hij, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten het wel; de redding komt immers van de Joden. Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie hem aanbidt moet dat doen in Geest en in waarheid.’ Ik begreep niet alles wat hij zei. Wel begreep ik dat God aanbidden niet vast zit aan een geografische plaats, maar dat het gaat om echtheid. Ik kende de bijbel en ik wist dat de Messias zou komen, hij zou ons alles duidelijk maken. Ik verlangde ernaar dat die redder zou komen ‘Ik weet wel dat de messias komen zal, wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen,’ zei ik. ‘Dat ben ik, die met u spreekt!’ antwoordde de man. De Vader waarover hij sprak, was dus echt zijn vader. Hij was de Zoon van de allerhoogste God, de beloofde messias.

Op dat moment stond er opeens een groep van 12 mannen bij de put. In twaalf paar ogen las ik verbazing, en ik kon het hun niet kwalijk nemen. Hun leermeester stond daar te praten met een Samaritaanse, verachte vrouw. Niemand zei echter een woord. Ze stonden daar maar met hun boodschappen onder hun arm. Opeens wist ik wat ik moest doen, ik zette mijn kruik neer, zodat ik sneller kon lopen. Ik keek de man nog even aan en liep toen in alle haast naar huis. Inmiddels was de stad weer een beetje gaan leven. Wat ik al jaren niet had gedurfd, deed ik nu. Ik voelde me herboren, mijn eerst zo droge, dorstige hart was vol van blijdschap en liefde. Ik ging naar het marktplein en sprak daar iedereen die het horen wilde aan. ‘Er is iemand bij de put, die alles van me weet. Zou dat niet de messias zijn!?. Hij heeft met niet veroordeeld. Kom met me mee!’ En tot mijn grote verbazing verzamelde zich een groep mensen om mij heen, ze wilde niets liever dan ook deze man ontmoeten. Ze moeten aan mij gezien hebben hoe deze ontmoeting mij had veranderd. Later hoorde ik dat ze zagen dat mijn ogen straalde. Het was voor hun genoeg reden om zelf te gaan kijken. Iemand die mij, verachte en mislukte vrouw, kan oprichten moet wel op z’n minst een profeet zijn.

We ging samen die weg weer terug naar de put. Nog nooit had ik deze weg met vreugde afgelegd, maar nu liep ik alsof ik jaren jonger was. Samen met mijn stadgenoten nog wel, die ik al die tijd had gemeden. Bij de put was de man nog met zijn discipelen. Hij was bezig hun te onderwijzen. Toen we aankwamen vertelde hij ons over het koninkrijk van God, dat hij Jezus was, Gods zoon en dat wij ook Gods kinderen mochten worden. Om me heen zag ik allemaal stralende gezichten. Nu begreep ik wat hij had bedoeld met levend water, dat als een bron zal worden in je binnenste. We vroegen hem nog bij ons in Sichar te blijven, en hij ging op die uitnodiging in. In de twee dagen dat hij er was, is de stad zo veranderd. Hij leerde ons over Gods koninkrijk, over bronnen van levend water en over zijn Geest. Gebroken mensen gingen weer stralen, zieken genas hij, bittere zielen vonden liefde en heling. In de dagen daarna sprak ik met veel mensen. Wat waren we blij. ‘Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt,’ zeiden ze, ‘maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is!’

Enkele jaren later mochten we weer zo’n geweldige tijd meemaken. Er waren toen veel mensen in de omgeving die Jezus zelf niet hadden meegemaakt, maar wel van ons over hem hadden gehoord. Filippus, een dienstknecht van Jezus kwam bij ons langs en vertelde over Jezus’ terugkeer naar de Vader, over zijn werk op aarde. Er was opnieuw een enorme dorst naar dit goede nieuws. En net als toen Jezus bij ons was, bleef het niet alleen bij woorden. Hij verrichtte wonderen in de naam van Jezus Christus, die nu in de hemel aan Gods rechterhand zit. Mensen werden bevrijd van boze geestem, vele verlamden en mensen die mank liepen werden genezen. De vreugde gonsde door de straten. Toen Johannes en Petrus ook nog naar ons toe kwamen en ons de handen op legden, ontvingen we de Heilige Geest.

Inmiddels ben ik oud geworden. Ik kan niet veel meer, maar wat ik wel kan is mijn kinderen en kleinkinderen vertellen over die man, die mij, verachte, samaritaanse vrouw, bij de put aansprak. Hij, die de liefde van God aan me aanbood. Hij is het waard aanbeden te worden!

Naar Johannes 4 en Handelingen 8

Laatst had ik een aangrijpende ontmoeting. Ik sprak met een man. Hij had alles bereikt in het leven. Hij was laag begonnen, had heel lang buiten, tussen de dieren gewerkt, maar op een bijzondere manier was hij opgeklommen. Uiteindelijk had hij bijna de hoogst mogelijke functie bereikt. Hij sprak dagelijks met allerlei hoogwaardigheidsbekleders. Ook in de de liefde was hij succesvol. De vrouwen liepen achter hem aan. Hij had vele liefdes gehad.

Zelfs zijn relatie met God was er één waar velen jaloers op zouden staan. Hij stond op vertrouwelijke voet met God. Hij dichtte veel liedteksten over Gods goedheid. En God genoot van zijn leven.

Maar wat hij mij vertelde ging niet over succes en geluk. Hij vertelde me dat hij zich ellendig voelde en dat niemand hem begreep!

God is boos op me, hij wil me straffen, en Hij heeft groot gelijk. Ik voel me schuldig over wat heb gedaan in mijn leven. Maar ook vooral om alles wat ik niet heb gedaan, maar wel had moeten doen. Ik ben tekort geschoten. Gods toorn is terecht. Het voelt alsof Hij pijlen op me afschiet die me diep raken en zijn hand rust zwaar op mijn leven.

Ik ben moe, ik heb geen sprankje energie meer in mijn lijf. Als ik maar iets doen ben ik uitgeput. Het zijn mijn zonden die me hebben afgebroken. Er ligt een deken over mijn leven, een klamme deken en ik kan em niet van me afschudden. Ik weet niet hoe ik het zo ver heb kunnen laten komen dat ik zo veel schuld heb: schuld aan mijn ouders, mijn kinderen. Ik heb een afkeer van mezelf! Wie wil mijn gezelschap nu nog?!

Ik kan alleen nog maar naar de grond kijken. Soms probeer ik me op te richten, maar het lukt niet. Mijn ogen gaan vanzelf weer naar de grond. Ik heb ook geen zin meer om me fatsoenlijk te kleden en te scheren. Het kan me niks schelen. Wat is er nog van me over? Ik ben doodziek, ik heb overal pijn en ik heb telkens hartkloppingen. Dan denk ik dat ik dood ga en dat is een zoete gedachte.

Ik weet dat de Heer mijn roepen hoort. Maar hoe lang zal Hij nog over me heen kijken en me vergeten? Ik maak er naar God toe geen geheim van dat ik dit geen leven vind. Hij kent mijn verlangens, maar lijkt er niet echt haast me te maken om me te helpen. Als hij lang wacht hoeft het niet meer. Mijn krachten laten me steeds meer in de steek en mijn ogen zijn dof geworden.

Mijn beste vrienden zie ik ook nooit meer. Ze zijn bang voor wat ik je nu vertel. Ze weten er niet mee om te gaan. Wat moeten ze met iemand die het leven niet meer ziet zitten? Bovendien ben ik onaangenaam gezelschap. Ik heb nergens meer zin in. Niets van wat we vroeger samen deden kan me boeien. Eigenlijk had ik altijd al verwacht dat ze weg zouden lopen als ze echt zouden weten wie ik ben. Die tijd is er nu.

Ondertussen weten mijn vijanden me te vinden: demonen lokken mij in de val van de donkerheid. En ik kom er niet meer uit. Leugens plakken aan me vast en trekken me naar beneden. De waarheid lijkt zo ver weg. Waar is de tijd dat ik daar aan vasthield en Gods liefde voelde?

Ik ben met stomheid geslagen, ik doe net of ik doof ben. Ik wil niets horen, ik wil alleen maar rust. Wat valt er nog te zeggen. Mijn leven is mislukt, ik val mezelf tegen. Ik zie niet hoe het ooit nog goed zal komen. De glans is van het leven af. Ik weet niet waar de kleur van de lucht gebleven is en de helderheid van de zon. Alles is grijs, niet de moeite om voor op te staan.

Maar ik blijf tot mijn God roepen, ik hoop op Hem, tegen alle donkerheid in, tegen beterweten in ook misschien… Ik wil niet dat mijn vijanden om me lachen en me zien mislukken. Als God niet snel komt zal ik de ondergang vinden, voor altijd verdoemd. Het zijn mijn zonden die me zo in de problemen hebben gebracht.

Iedereen om mij heen is sterk en succesvol. Ik ben de enige mislukkeling. Vooral iedereen die zonder God leeft, heeft het goed. Soms vraag ik me af of ik mezelf mijn eigen god heb voorgespiegeld. Dat het één grote leugen blijkt te zijn. Toch roep ik tot God: verlaat mij niet! haast U om mij te helpen! U bent toch mijn redding??

Ik moet zeggen dat ik behoorlijk schrok van dit verhaal. Deze man ging gebukt onder somberheid, hij zag het leven niet meer zitten. De dood klonk hem als zoet in de oren, zoals hij zelf zei. Ik heb hem doorgestuurd naar professionele hulp! Het gaat me aan het hart hem zo te zien. Ik bid dat God hem op zal richten. Dat hij opnieuw hoop zal krijgen.

Corine

Waarom zijn er mensen die denken dat ze kunnen eten zonder te werken? Wie niet werkt zal ook niet eten, staat in een oud geschrift. Waarom zijn er toch altijd mensen die denken iets te zijn of te worden zonder dat ze er hun best voor doen?

Wil je iets bereiken, dan moet je er je zinnen op zetten, je er in vastbijten. Lukt het eerst niet, probeer het nog eens. Lukt het nog niet, probeer het een derde keer. Evalueer je daden, kijk of je het fout hebt gedaan, en doe het beter. Laat niet te veel van anderen af hangen. Laat je niet afhankelijk maken van wie dan ook. Ontworstel je aan de invloed van je ouders, zorg dat je zo snel mogelijk financieel onafhankelijk wordt. Hou ze wel te vriend trouwens, misschien heb je er nog wat aan in de toekomst.

Vergeet niet dat je voor jezelf leeft, voor je eigen ontwikkeling, je eigen succes, je eigen geluk. Relaties zijn belangrijk, zonder vrienden kom je er niet. Maar je leeft niet voor hun! Leef je eigen leven en geniet er lekker van! Je leven is niet zo lang, 70 misschien 80 jaar. Het is zo voorbij, dus geniet, er is genoeg te genieten.

Oh ja en mocht je de ouderdom meemaken, zorg dat je je zaken goed hebt geregeld. Als je je financiën niet goed regelt, wordt je misschien wel afhankelijk van je kinderen. Zorg dat je de zaken die je dan mogelijk nodig zult hebben kunt betalen. Er is niets kleinerender dan dat je door je dochter gewassen moet worden, omdat je niet meer bij je eigen rug of erger je edele delen kan. Nu heb je nog de tijd om vooruit te denken, te plannen, te sparen. De jaren zijn zo om.

Sommigen noemen mij een verbitterde oude vrouw, maar ze zien het verkeerd. Ik ben wijs geworden door de jaren. Het geluk, de prachtige momenten van het leven, maar juist ook het verdriet en de teleurstelling hebben mij tot een wijze oude vrouw gemaakt. Je kunt maar beter mijn adviezen ter harte nemen. Vroeger toen ik nog jong en naief was, dacht ik dat ik wist hoe de wereld in elkaar zat. Ik geloofde in een Schepper en dacht dat het zijn opdracht voor mij was om de wereld een stukje beter te maken. Nou ik kan je zeggen, bespaar jezelf de moeite! Niemand zit te wachten op jouw goeddoenerij! Niemand! Zoals ik al zei, je leeft voor jezelf en daar heb genoeg aan.


‘Maar Hij werd doorstoken en verbrijzeld ter wille van mijn zonden.
Hij werd zwaar gestraft zodat ik vrede kon hebben.
Hij werd geslagen en daardoor werd ik genezen’
Jesaja 53:5

 

Mijn Rugzak

Het is druk in de stad, om precies te zijn buiten de stad. Rond de heuvel staan ontzettend veel mensen. Ik moet er ook heen. Ze hebben me gezegd dat daar Jezus is en dat Hij me zou kunnen helpen in mijn leven. Ik moet die last kwijt die ik constant mee draag. Als ik niet oppas zal ik struikelen en niet meer overeind kunnen komen. Er is vast niemand die me dan zal willen helpen. Ik moet door, door…Het zweet staat op mijn gezicht, ik voel al mijn spieren, mijn kracht wordt steeds minder. Het laatste stuk is het zwaarst. Ik ben al zo uitgeput en nu ook nog die heuvel op.

Als ik eindelijk bovenaan kom kan ik niet meer en val ik neer. Ik ben me nauwelijks bewust van de omstanders die allen op een afstandje toe staan te kijken. Daar lig ik dan, helemaal uitgeput, met de enorme last nog op mijn rug. Ik kijk naar boven en zie de ogen van Jezus die daar hangt, aan een kruis. Waarom staat Hij dit toe, waarom komt Hij niet gewoon naar beneden? Hij zou me vast wel kunnen helpen om mijn last dragelijk te maken. Hoe weet ik niet, maar Hij kan het!

Maar Jezus zegt alleen: ‘Laat maar hier liggen.’ Alsof het dan in orde zal komen. Wat kan Jezus nu met die last als Hij daar zo hangt. Ik hoor de omstanders joelen en Jezus belachelijk maken, omdat Hij daar helemaal naakt en kwetsbaar hangt! Ik wil het niet hier laten liggen. Ik wil het weer oppakken, mee nemen. Verder, verder! Maar ik heb geen keus. Ik keer mijn rugzak om onder het kruis. Daar liggen ze dan, al mijn trots, onzekerheid, vunzigheden, oneerlijkheid, eigen belang, gebrek aan toewijding, angst, godsdienstige prestaties, hopeloosheid, wanhoop…. Ze liggen daar uitgespreid. Voor iedereen zichtbaar.

Ik strompel overeind, van die neerdrukkende last bevrijd. Ik loop door, wankelend, en kijk achterom… Ik zie en hoor hoe de mensen nog harder gaan joelen en nog veel meer stof hebben om Jezus belachelijk te maken. Want ze rekenen alles wat ik daar net heb neergelegd, Jezus toe. Ik wil terug rennen en mijn rugzakje weer vol te laden. Ik heb geen energie meer om weer naar die plaats te lopen. Ik kijk nog eens naar wat daar allemaal ligt; het zou er niet in passen. Opeens begrijp ik het: Hij wil dit! Hij wil dat alle rotzooi die daar onder het kruis ligt, op Zijn naam komt te staan. Ik kan er niet bij. Ik zie niets meer als ik verder loop. Mijn ogen zijn vol met tranen… Waarom? Voor mij?

Daar staat mijn Vader met open armen op me te wachten. Ik strompel naar Hem toe, energieloos, leeg, uitgeput. Ik laat me vallen in Zijn liefdevolle, vergevende, reinigende armen. Ik heb zelf helemaal niets meer. Maar Hij zegt: ‘Mijn kind, ik zal je vullen met al het mooie wat ik voor je heb. Ook kom Ik in je wonen. Leg je rugzak maar af, want ik kom in je hart, met mijn Geest.’

Ik voel me weer vol, maar niet belast. Veiliger dan ooit. Ik voel me vrij en ik wil niets liever dan mijn Vader en Jezus voor altijd dienen. Met Hem die in me is gaan wonen moet dat vast lukken!

Mei 2003

 

Bijna de hele wereld sliep al, maar Razvan was nog wakker. Hij genoot van de stilte van de nacht en de geur van een kop thee. Hij had vandaag hard gewerkt, hij kon tevreden zijn. De afgelopen jaren hadden hem tot een tevreden mens gemaakt. Hij had geleerd te leven volgens het manna-principe: als je voor vandaag genoeg hebt, is dat ruim voldoende, morgen is morgen. Zo genoot hij altijd van de goede dingen die hij kreeg: een boterham met kaas, een glas melk, een warm bed. Telkens was het weer precies genoeg. Zijn hart was dankbaar.

Plotseling werd hij opgeschrikt door een korte stevige klop op de deur. Razvan verwachtte niemand meer, wie zou dat kunnen zijn? Langzaam stond hij op, liep naar de deur. Zijn hart maakte een vreugdesprongetje, toen hij in de deuropening het gezicht van zijn goede vriend Sillevis zag. Als hij iemand verwacht had, niet Sillevis!

‘Sillevis, vriend! Wat brengt jou hier? Waar kom je zo laat nog vandaan? En hoe is het met je? Het is zo lang geleden!’ Vragen vochten om voorrang op zijn lippen. Wat was hij blij om zijn vriend Sillevis weer te zien. Ze begroetten elkaar in een stevige omarming. Toen ze zich met tegenzin uit hun omhelzing losmaakten zei Sillevis: ‘Ik zal je alles vertellen, echt alles, maar ik zou graag eerst eten. Daarna zal ik je vertellen wat er gebeurde 7 jaar geleden, tijdens die zomer. Ik zal je vertellen wat ik meegemaakt heb en hoe ik hier terechtkwam. En ik ben ook zo benieuwd naar hoe het met jou is. Maar heb je alsjeblieft een boterham voor me. Ik heb al dagen niet fatsoenlijk gegeten.’ Het was alsof er zojuist een steen in Razvans binnenste gelegd was. Hoe kon hij nu zijn vriend verzorgen? Zijn kasten waren leeg en in de broodtrommel zaten alleen nog maar kruimels. Hij dacht aan de vrede die hij zo weinig momenten eerder nog had ervaren. Heer, hoe moet ik dit oplossen?. ‘Laat weten wat je nodig hebt, Ik zal voorzien.’ Drie broodjes, Heer. De vrede kwam als een onderpand van datgene wat hij nog niet zag.

‘Sillevis, wat fijn dat ik je als gast mag ontvangen. Wat goed om je te zien. Ga lekker zitten en rust uit.’ Terwijl Sillevis wat rondkeek in het kleine knusse huisje en zich installeerde zette Razvan water op het fornuis. Vervolgens draaide hij de verwarming weer aan en liep met een ‘ik ben er zo weer’ het huis uit. Zijn vriend Steef die om de hoek woonde was zo te zien al naar bed. ‘Wees vrijmoedig! Ik zal je zegenen.’ Zonder te letten op het gebonk van zijn hart, liep hij over het smalle paadje naar het huis van Steef. De bel klonk hard in de stilte van de nacht. Geen gehoor. Nog een keertje bellen dan maar.

Ergens ver weg in het huisje hoorde Razvan wat gerommel. Steef kwam richting de deur lopen, opende die een klein kiertje en keek hem met een boos en slaperig gezicht aan. ‘Heb je misschien 3 broodjes voor me?’ ‘Moet je me daarvoor storen, midden in de nacht?’ zei hij bars. ‘Morgen moet ik vroeg op en mijn kinderen slapen ook allang. Vind je het nu echt nodig om mij hiervoor te storen?!’ ‘Het spijt me Steef, als ik het vanmiddag hag geweten, had ik iets…’ Maar Steef duwde de deur al dicht. Even was Razvan beduusd. Maar hij vermande zich en klopte op de deur, om minder lawaai te maken dan zo even met de bel. Eerst geen reactie, maar toen toch weer een kiertje met het hoofd van Steef net zichtbaar er doorheen. ‘Ben ik niet duidelijk geweest?’ ‘Wees vrijmoedig!’ ‘Steef, het spijt me dat ik je gewekt heb, maar ik zou graag mijn vriend die net onverwachts langs is gekomen iets te eten aanbieden. Hij heeft al dagen niet fatsoenlijk gegeten. Ik heb niets meer en ik weet dat jij genoeg brood hebt om mij te geven, zodat ik uit kan delen.’ Langzaam was de deur wat verder open gegaan. Al was het niet van harte, Razvan had in elk geval de aandacht van zijn vriend. ‘Ok, wacht even.’ Steef liep weg bij de deur en was even later terug met drie kleine broodjes. ‘Hier en zorg voortaan voor jezelf. Het is omdat je me zo indringend aankijkt en je niet laat verjagen…’ En dicht was de deur.

Blij liep Razvan naar huis. Wat een voorrecht; zonder het te weten mogen sommigen van ons engelen huisvesten. En reken maar dat er dan wel gezorgd wordt voor een goed onderkomen.

21-08-2007

Dit verhaal is nog niet af, misschien weet jij hoe het verder gaat…

Koning van mijn hart, ik heb u weer een krukje gegeven in een hoekje naast de deur. U was stil, maar aanwezig. U drong u niet op in het gesprek, knikte af en toe wel wat, maar nam niet zomaar het woord. Ik vergat uw aanwezigheid. Ik was in een geanimeerd gesprek geraakt met ‘Eigenwijsheid’ op de bank. Hij vroeg wat mijn plannen waren voor de toekomst. Ik vertelde hem over mijn twijfels, dat ik niet wist wat ik moest kiezen. Alles heeft wel een voor- en nadelen. Ik probeerde uit te leggen dat ik wachtte op een antwoord van mijn Leidinggevende. Hij vertelde me over ieders recht om er zelf iets over te vinden, dat ik ook echt mijn eigen mening mocht laten spreken over deze zaken. Hij adviseerde me niet al te veel naar anderen te luisteren. ‘Wie geeft ze het recht iets over jouw leven te vinden?!’ ‘Trots’ mengde zich in het gesprek. ‘Je hebt ook veel bereikt,’ zei hij. ‘Kijk naar de prestaties die je de afgelopen jaren hebt geleverd. Als je zo door gaat kun je nog veel meer bereiken. De wereld ligt voor je open’ ‘Zelfmedelijden’ die wat zielig in een hoekje had gezeten, kwam na wat biertjes een beetje los. Hij vond dat ik al genoeg had meegemaakt, genoeg ellende en verdriet gehad. Om wille van de gerechtigheid zouden tegenslagen nu wel echt tot het verleden behoren. Zijn vriendinnetje ‘Eigengerechtigheid’ deed er nog een schepje bovenop. ‘Ze hebben je jaren laten werken, zonder fatsoenlijke beloning. Er is niks mis mee om nu te halen wat er te halen valt. Je hebt er recht op! Dat is de achterstand die je nu kunt inhalen van de afgelopen jaren.’

De stemmen vermengden zich. De één praatte nog harder dan de ander. Niemand luisterde echt naar wat de ander zei. Ik voelde me onbegrepen, werd heen en weer geslingerd door de verschillende meningen. Toen ik een drankje ging halen in de keuken trof ik daar ‘Angst’. Ze zei tegen me dat ik me moest realiseren dat ik ook teleurgesteld kon worden. ‘Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt.’

Het had een feestje moeten zijn om van te genieten, maar mijn hart was onrustig.

Op een dag kwam de eekhoorn erachter dat het onverstandig was om niet verder te kunnen tellen dan tot vijf. Hij ging naar de school aan de voet van de eik in het midden van het bos en vroeg aan de mus, die daar onderwijzer was, of hij hem tot tien wilde leren tellen.
‘Ik zal mijn best doen,’ zei de mus. ‘Maar wat je vraagt is niet eenvoudig. Ik kan zelf tot zeventien tellen, maar vraag niet hoe lang ik daarvoor heb gestudeerd, want dat weet ik al niet meer.’
‘Ik heb er alles voor over,’ zei de eekhoorn.
‘De meeste dieren komen nooit verder dan twee.’
‘Laten we maar beginnen,’ zei de eerkhoorn.
‘Goed’, zei de mus.
En zo gebeurde het dat de eekhoorn dag in dag uit, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, in de klas van de mus zat. Naast hem zat de lepelaar, die tot twee kon tellen, en voor hem de bij, die al bij vier was, en de goudvis in een kom die tot zeven kwam.
Na een week kon de eekhoorn tot zes tellen. Vol trots vertelde hij dat aan de mier. Maar de mier was niet onder de indruk.
Na een maand kon hij tot zeven tellen. Maar de mier was nu nog minder onder de indruk.
‘Wat ís zeven?’ vroeg hij. De eekhoorn wist het niet.
‘Als je niet eens weet wat zeven is, wat heb je er dan aan om daarheen te tellen? Als ik niet weet wat een suikerpluim is dan ga ik er toch ook niet op af, en zeker niet een maand lang?’
De eekhoorn moest lang nadenken over de suikerpluim. Hij meende dat de mier geen gelijk had, maar aan de andere kant was hij ook zo moe geworden van het leren dat hij de volgende dag aan de mus zei dat hij niet meer naar school kwam.
‘Jammer,’ zei de mus, ‘want acht is een prachtig getal. Vooral als je er langzaam naartoe telt.’
‘Maar wat ís acht dan?’ vroeg de eekhoorn.
‘Tja,’ zei de mus en trok een geheimzinnig en geleerd gezicht, alsof hij zeggen wilde: daar kom je pas achter als je acht helemaal kent. Maar hij zei niets meer.
De eekhoorn ging naar huis. Hij dacht die dag grondig na, maar kwam geen stap verder, laat staan dat hij begreep waarover hij nadacht. De volgende dagen vergat hij zeven en zes weer, zodat hij al spoedig weer even ver was als de mier, die al jaren tot vijf kon tellen.

Uit: “Er ging geen dag voorbij” van Toon Tellegen